direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Partiële herziening bestemmingsplan Buitengebied t.h.v. Mgr. Smetsstraat 40
Status: voorontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0858.BPmgrsmetsstraatbg-VO01

Toelichting

behorende bij het bestemmingsplan "Partiële herziening bestemmingsplan Buitengebied t.h.v. Mgr. Smetsstraat 40"

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

De provincie Noord-Brabant heeft ten behoeve de nieuwe verbinding N69 een provinciaal inpassingsplan (PIP) opgesteld. In het PIP is de Mgr. Smetsstraat als onderdoorgang onder de nieuwe verbinding uitgewerkt. De gemeente Valkenswaard wil echter voorkomen dat doorgaand verkeer door de Mgr. Smetsstraat binnen de bebouwde kom rijdt. Daarom is de gemeente voornemens om een alternatieve ontsluiting te realiseren specifiek voor de bereikbaarheid van aanwonenden en agrariërs (de vergunninghouders). Die is gevonden in de vorm van een kortsluiting tussen de zuidelijke toe-/afrit van de nieuwe N69 en de Mgr. Smetsstraat (ter hoogte van huisnr. 40). Een gedeelte van deze nieuwe ontsluiting ligt buiten de begrenzing van het PIP en het vigerende bestemmingsplan maakt deze nieuwe ontsluiting niet mogelijk. Een herziening van het geldende bestemmingsplan is derhalve noodzakelijk.

De gemeente heeft met de provincie afspraken gemaakt over de verwerving van de onderliggende percelen. De provincie heeft daarvoor inmiddels een principe koopovereenkomst bereikt met de huidige eigenaren.

1.2 Plankarakter

De realisering van de nieuwe ontsluiting past niet binnen de regels van het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied'. Om de ontwikkeling mogelijk te maken is het bestemmingsplan 'Mgr. Smetsstraat Buitengebied' opgesteld. Het bestemmingsplan voorziet in een passende juridisch-planologische regeling ten behoeve van de ontsluitingsweg. Het bestemmingsplan sluit qua systematiek aan bij de standaard voor bestemmingsplannen in de gemeente Valkenswaard.

1.3 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van het plangebied en wordt ingegaan op de inhoud van de bestaande juridische regeling. Hoofdstuk 3 beschrijft de relevante beleidsdocumenten voor de beoogde ontwikkelingen in het plangebied. De beschrijving van de huidige situatie is gegeven in hoofdstuk 4. Hierbij gaat het zowel om de ruimtelijke als de functionele structuur. In dit hoofdstuk komen ook de milieutechnische randvoorwaarden naar voren. Hoofdstuk 5 geeft een beschrijving van het plan. De uitvoeringsaspecten handhaving en de economische uitvoerbaarheid worden besproken in hoofdstuk 6. In hoofdstuk 7 wordt aangegeven hoe het beleid en de planuitgangspunten zijn verwoord in de planregels. Als laatste wordt in hoofdstuk 8 de procedure beschreven.

Hoofdstuk 2 Plangebied

2.1 Situering

Het plangebied bevindt zich ten westen van de kern Valkenswaard en ten zuidwesten van de kern Dommelen. De nieuw aan te leggen N69 begrenst het plangebied aan de noordzijde. De oostzijde wordt begrensd door de Mgr. Smetsstraat. Ten zuiden en westen van het plangebied bevindt zich het agrarisch buitengebied van Valkenswaard. Afbeelding 1 geeft de globale ligging van het plangebied ten opzichte van de omgeving weer. Op de afbeelding is ook de ligging van de toekomstige N69 weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPmgrsmetsstraatbg-VO01_0001.jpg"

Afbeelding 1: Luchtfoto met globale ligging plangebied (blauw)

2.2 Bestaande juridische regeling

Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied' dat op 27 juni 2013 is vastgesteld door de gemeenteraad van Valkenswaard. Het plangebied is bestemd als 'Agrarisch met waarden' (zie afbeelding 2). Hierbinnen is agrarisch gebruik toegestaan. Daarnaast is deze bestemming gericht op het behouden en/of herstellen van landschappelijk, natuurlijke en/of cultuurhistorische waarden. Tevens zijn bij deze functies behorende voorzieningen toegestaan, waaronder: groenvoorzieningen, wegen en waterhuishoudkundige voorzieningen. De te realiseren aftakking van de Mgr. Smetsstraat naar de N69 vormt een hoofdontsluiting van het gebied, die niet (primair) gericht is op de agrarische activiteiten ter plaatse. De aanleg van deze weg is op basis van het vigerende bestemmingsplan dan ook niet toegestaan. Om te voorzien in een passende planologische regeling voor de te realiseren ontsluitingsweg, is voorliggend bestemmingsplan opgesteld.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPmgrsmetsstraatbg-VO01_0002.png" Afbeelding 2: Uitsnede verbeelding vigerende bestemmingsplannen inclusief plangebied (in rood)

Hoofdstuk 3 Planologisch kader

Het beleid van de gemeente Valkenswaard vormt het kader waarbinnen de functionele en ruimtelijke ontwikkelingen van het buitengebied van Valkenswaard worden vastgesteld. De ruimtelijke ontwikkelingsplannen van rijk, provincie en regio vormen randvoorwaarden voor het gemeentelijke beleid. Voor dit bestemmingsplan worden in de volgende paragrafen het rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid toegelicht.

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een integraal kader voor het ruimtelijk beleid en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. In de visie worden ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur sterker dan voorheen met elkaar verbonden. De hoofdlijn van de SVIR is dat het Rijk op het gebied van de ruimtelijke ordening terugtreedt en dat gemeenten en provincies op dit taakveld een meer prominente rol krijgen. In het SVIR staat centraal dat alleen nog een taak voor het Rijk is weggelegd wanneer sprake is van nationale baten en/of lasten, internationale verplichtingen (bijvoorbeeld werelderfgoederen) of provincie- cq. landoverschrijdende onderwerpen. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR 3 rijksdoelen geformuleerd:

  • de concurrentiekracht vergroten door de ruimtelijk-economische structuur van Nederland te versterken. Dit betekent bijvoorbeeld een aantrekkelijk (internationaal) vestigingsklimaat;
  • de bereikbaarheid verbeteren;
  • zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden.

De structuurvisie benoemt met name Rijksdoelen en nationale belangen. De (boven) lokale afstemming en uitvoering van verstedelijking wordt overgelaten aan (samenwerkende) gemeenten binnen de provinciale kaders. De sturing op verstedelijking, zoals afspraken over percentages voor binnenstedelijk bouwen, Rijksbufferzones en doelstellingen voor herstructurering, laat het Rijk los. Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen, heeft het Rijk een ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Deze ‘ladder’ dient doorlopen te worden bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. De aanleg van een ontsluitingsweg valt hier niet onder.

Het Rijk zal tijdens het opstellen en vaststellen van bestemmingsplannen dan ook niet toetsen
op een correcte doorwerking van de nationale belangen. Het Rijk zal, als daarom wordt
gevraagd door gemeente, in de voorbereidingsfase van de bestemmingsplanprocedure haar
nationale belangen toelichten en, indien nodig, daarover advies geven.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Structuurvisie ruimtelijke ordening

In 2010 hebben Provinciale Staten de Structuurvisie ruimtelijke ordening (Svro) vastgesteld. De Svro is in 2014 partieel herzien, waarbij onder andere het gewijzigde beleid op het gebied van natuur (realisering van het natuurnetwerk) en veehouderij (transitie naar zorgvuldige veehouderij) zijn verwerkt. De Svro 2014 is in werking getreden op 19 maart 2014. De Svro bevat de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025, met een doorkijk naar 2040. De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie Noord-Brabant en vormt de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt.

De Svro hanteert een sturingssysteem uit twee lagen: robuuste structuren en een gebiedsgerichte benadering in zogenaamde gebiedspaspoorten. Deze twee lagen zijn beiden gebiedsdekkend. De sturing is verschillend. Voor de ontwikkeling en bescherming van de structuren voelt de provincie zich primair verantwoordelijk en zet de provincie in op het niveau van de provincie als geheel.

De provincie kent 4 structuren:

  • de groenblauwe structuur: gebieden waar natuur- en waterfuncties behouden en ontwikkeld worden;
  • de agrarische structuur: een breed georiënteerde plattelandseconomie, waar landbouw een belangrijke drager is en waar de landbouwfunctie goed is afgestemd op de omgeving;
  • de stedelijke structuur: alle grote locaties voor wonen, werken en voorzieningen zoals steden, dorpen en bedrijventerreinen, waar de nadruk ligt op concentratie, zorgvuldig ruimtegebruik, ruimtelijke kwaliteit, verknoping aan infrastructuur en versterking van kennisinnovatie economie;
  • infrastructuur: samenhangend netwerk van wegen, spoorlijnen, vaarwegen, luchthavens en buisleidingen waarbij de nadruk ligt op betere verknoping, bevorderen bereikbaarheid, aandacht voor landschap en goede verdeling over verschillende netwerken.

Het plangebied ligt in de groenblauwe structuur en is aangeduid als perspectief 'kerngebied groenblauw'. Het kerngebied groenblauw bestaat uit de ecologische hoofdstructuur inclusief de ecologische verbindingszones en waterstructuren zoals beken en kreken. Het ruimtelijke beleid is gericht op behoud, herstel en ontwikkeling van de natuurlijke en landschappelijke kwaliteiten. Er is geen ruimte voor (grootschalige of intensieve) ontwikkelingen die niet passen binnen de doelstellingen voor de EHS en beheer/herstel van de waterstructuren.

Het plangebied ligt tevens binnen het gebied dat is aangeduid als 'Grenscorridor N69'. De Grenscorridor N69 is in de structuurvisie opgenomen als provinciale gebiedsontwikkeling binnen het 'kerngebied groenblauw'. Inmiddels is voor de aanleg van de N69 een provinciaal inpassingsplan (PIP) opgesteld. De ontsluiting die middels voorliggend plan wordt gerealiseerd vormt een beperkte wijziging ten opzichte van het PIP en sluit hierop aan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPmgrsmetsstraatbg-VO01_0003.png" Afbeelding 3: Uitsnede structurenkaart Structuurvisie ruimtelijke ordening

3.2.2 Verordening ruimte Noord-Brabant

Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben in hun vergadering van 1 juli 2015 de Verordening ruimte 2014 opnieuw vastgesteld. Hierin zijn alle vastgestelde wijzigingen van regels en kaarten verwerkt. Bij de wijziging van de regels in juli 2017 is de naam gewijzigd in Verordening ruimte Noord-Brabant. Op 1 januari 2018 is een geconsolideerde versie van de Verordening ruimte Noord-Brabant gepubliceerd. In deze versie zijn alle vastgestelde wijzigingen van het afgelopen jaar van regels en kaarten verwerkt. De wijzigingen zijn beleidsarm en zijn hoofdzakelijk technisch van aard. De gemeenteraad moet bij het vaststellen van een bestemmingsplan de regels uit de verordening toepassen.

De regels in de Verordening ruimte Noord-Brabant zijn een doorvertaling van het provinciaal beleid zoals dat is opgenomen in de Structuurvisie ruimtelijke ordening. De regels zijn er - in lijn met het beleid van de Svro - op gericht om het leeuwendeel van de stedelijke ontwikkelingen te laten plaatsvinden in de stedelijke regio's en in het bestaand stedelijk gebied. De begrenzingen van de stedelijke en landelijke regio's zijn vastgelegd in de kaarten behorende bij de Verordening ruimte. In de verordening zijn ook het bestaand stedelijk gebied, de zoekgebieden voor stedelijke ontwikkeling en de ecologische hoofdstructuur begrensd.

Op de kaartbeelden van de Verordening ruimte Noord-Brabant wordt onderscheid gemaakt in vier structuren en diverse aanduidingen. De vier structuren zijn het 'Bestaand stedelijk gebied', het 'Natuur Netwerk Brabant', de 'Groenblauwe mantel' en het 'Gemengd landelijk gebied'. Het plangebied ligt binnen de structuur 'Natuur Netwerk Brabant' en is aangeduid als 'attentiegebied Natuur Netwerk Brabant'. Daarnaast ligt een gedeelte in het westen van het plangebied binnen een gebied dat is aangeduid als 'regionale waterberging' en deels 'reservering waterberging'. Zie tevens afbeelding 4. Hierna wordt op deze structuren en aanduidingen ingegaan.

Natuur Netwerk Brabant

De nieuwe ontsluitingsweg wordt gerealiseerd binnen het 'Natuur Netwerk Brabant' (NNB). In deze gebieden heeft het natuurbelang prioriteit; andere activiteiten mogen natuurdoelen niet belemmeren. De Verordening ruimte regelt dat een bestemmingsplan gelegen binnen deze structuur:

  • a. strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden;
  • b. regels stelt ter bescherming van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en daarbij rekening houdt met de overige aanwezige waarden en kenmerken, waaronder de cultuurhistorische waarden en kenmerken;
  • c. bepaalt dat zolang het Natuur Netwerk Brabant niet is gerealiseerd, de bestaande bebouwing en de bestaande planologische gebruiksactiviteit zijn toegelaten.

De realisatie van de nieuwe ontsluitingsweg past niet binnen dit streven. Ook de gehele N69 die op basis van PIP wordt gerealiseerd, lag (deels) binnen het NNB. Hiervoor heeft een kaartwijziging van de Verordening ruimte Noord-Brabant plaatsgevonden, waardoor de N69 binnen de 'Groenblauwe mantel' is komen te liggen. Hiervoor is/wordt het verwijderde NNB elders gecompenseerd. Ook het aanwezige NNB ter plaatse van het plangebied van dit bestemmingsplan wordt elders gecompenseerd. Hiervoor vindt eind 2018 een kaartwijziging van de Verordening ruimte plaats, waardoor het plangebied niet meer binnen het NNB maar binnen de 'Groenblauwe mantel' komt te liggen. De vaststelling van dit bestemmingsplan vindt na de definitieve kaartwijziging plaats, waardoor hierna wordt getoetst aan de regels die van toepassing zijn voor de 'Groenblauwe mantel'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPmgrsmetsstraatbg-VO01_0004.png"

Afbeelding 4: Uitsnede Themakaart natuur en landschap Verordening Ruimte Noord-Brabant (2018)

Groenblauwe mantel

De groenblauwe mantel is nodig voor de bescherming, maar vooral ook voor de ontwikkeling van natuur- en waterfuncties. Dit geldt zowel voor de aanliggende groenblauwe kerngebieden als het mantelgebied zelf. Binnen de groenblauwe mantel kan een bestemmingsplan onder voorwaarden voorzien in de aanleg of wijziging van een gemeentelijke of provinciale weg (artikel 6.17 Verordening Ruimte).

In de toelichting van dit bestemmingsplan wordt ingegaan op de aanleiding van de wijziging ten opzichte van de N69 die middels het PIP wordt gerealiseerd. Tevens wordt beschreven hoe de nieuwe ontsluitingsweg wordt ingericht en welke maatregelen worden getroffen om de weg in te passen in de omgeving; ecologisch, landschappelijk, infrastructureel e.d.. Hierop wordt in de volgende hoofdstukken nader ingegaan. Daarmee wordt voldaan aan de voorwaarden voor de aanleg/wijziging van een weg binnen de groenblauwe mantel. Ook wordt hiermee voldaan aan de zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit en kwaliteitsverbetering van het landschap.

Attentiegebied Natuur Netwerk Brabant, Regionale waterberging & Reservering waterberging

Het plangebied is volledig aangeduid als 'attentiegebied Natuur Netwerk Brabant'. Daarnaast ligt een gedeelte in het westen van het plangebied binnen een gebied dat is aangeduid als 'regionale waterberging' en deels 'reservering waterberging'. Uit de waterparagraaf, zie paragraaf 4.3.1, blijkt dat vanwege de beoogde ontwikkeling geen sprake is van ingrepen die een negatief effect hebben op deze aanduidingen. Ter bescherming zijn de dubbelbestemmingen 'Waarde - Hydrologie' en 'Waterstaat - Waterbergingsgebied' in dit bestemmingsplan opgenomen.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Valkenswaard

De gemeenteraad van Valkenswaard heeft op 2 juli 2012 de Structuurvisie Valkenswaard deel A nieuwe stijl vastgesteld. Dit deel van de structuurvisie dient als ruimtelijk toetsingskader en visie op hoofdlijnen gericht op de lange termijn. De visie formuleert niet alleen de ontwikkelingskoers voor de lange termijn maar biedt tevens het casco voor concrete projecten en plannen. Het is dus een toetsingskader, maar tegelijkertijd ook een inspiratiekader voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het ruimtelijk- functioneel programma en uitvoeringsplan voor de korte (en middellange)termijn is inmiddels uitgewerkt in deel B. Dit deel is op 28 november 2013 vastgesteld. In dit deel van de structuurvisie staat beschreven welke concrete projecten en plannen op korte termijn richting uitvoering worden gebracht en hoe deze gaan worden gerealiseerd. Het projectenplan wordt periodiek geactualiseerd en geeft daarmee steeds voor een bepaalde periode weer op welke wijze de ontwikkelingskoers tot uitvoering wordt gebracht. Deze actualisatie is nodig om kostenverhaal van bovenplanse kosten zeker te stellen en locatie-eisen te kunnen stellen. Bovendien biedt dit deel mogelijkheden om accenten in de ruimtelijke ontwikkeling te verschuiven, zonder daarbij de totale visie (deel A) aan te passen. In afbeelding 5 is een deel van de Visiekaart weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPmgrsmetsstraatbg-VO01_0005.jpg"

Afbeelding 5: Visiekaart Structuurvisie Valkenswaard

In de structuurvisie wordt benadrukt dat het verkeer op de huidige N69 resulteert in veel problemen; door een te hoge verkeersdruk staat de verkeersveiligheid, bereikbaarheid en leefbaarheid van Valkenswaard onder druk. De oplossing van deze problematiek heeft een topprioriteit. Op basis hiervan zijn oplossingsvarianten onderzocht, op basis waarvan het PIP voor de nieuw te realiseren N69 (Westparallel) is opgesteld. Aandachtspunt is tevens overlast voor recreatief verkeer en sluipverkeer binnen de gemeente, met name ten aanzien van recreatieve voorzieningen.

Middels dit bestemmingsplan wordt een nieuwe aansluiting op de N69 gerealiseerd vanuit de Mgr. Smetsstraat. Hierdoor hoeft het motorverkeer vanuit deze zijde van Valkenswaard (waaronder het Eurocircuit), niet door de kern Dommelen te rijden om de nieuwe N69 te bereiken. Dit resulteert in minder verkeer, en overlast, op de wegen in Dommelen. De nieuwe aansluiting, aanvullend op het PIP, draagt derhalve bij aan de doelstellingen die de gemeente Valkenswaard in haar structuurvisie heeft gesteld.

Op de visiekaart behorende bij de structuurvisie (zie afbeelding 5) is de nieuwe te realiseren N69 aangeduid. Op de structuurvisiekaart ligt de N69, die middels het PIP wordt gerealiseerd, ten oosten van het plangebied, weliswaar vrijwel direct hiertegen aan. De nieuwe ontsluitingsweg die middels dit plan mogelijk wordt gemaakt sluit hierop aan en past derhalve binnen de ambities die in de gemeentelijke structuurvisie zijn gesteld.

3.3.2 Mobiliteitsplan Valkenswaard 2014

In oktober 2014 heeft de gemeenteraad van Valkenswaard het Mobiliteitsplan Valkenswaard 2014 'Bereikbaarheid als kracht', vastgesteld. Hierin wordt het gemeentelijke mobiliteitsbeleid voor de periode tot 2025 beschreven. Daarnaast is een meerjarig projectenoverzicht opgenomen. Het mobiliteitsplan biedt de basis voor de gemeente Valkenswaard om vraagstukken ten aanzien van verkeer en vervoer te toetsen.

Een belangrijke basis van het Mobliteitsplan waren de plannen van de nieuw aan te leggen Westparallel, die de 'oude' N69 door Valkenswaard vervangt. De ontsluiting dient zodanig te worden uitgevoerd, dat het gebruik van de oorspronkelijke N69 wordt ontmoedigd. Daarbij is tevens het doel dat de 'bereikbaarheid' van Valkenswaard gepaard gaat met zo min mogelijk negatieve effecten voor de leefomgeving. De vier pijlers van het verkeersbeleid zijn dan ook: bereikbaarheid, leefbaarheid, verkeersveiligheid en duurzaamheid.

De N69 heeft over het algemeen een positief effect. Uitzondering hierop vormt de situatie in Dommelen-Zuid, waarbij de conclusie is dat het plan hier resulteert in een significante toename aan verkeer als hier geen maatregelen worden getroffen. Met name ter plaatse van de Bergstraat, Brouwerijdreef en de Westerhovenweg is sprake van significant hogere intensiteiten, waardoor maatregelen noodzakelijk zijn. Door de toenemende verkeersdruk komt de leefbaarheid in Dommelen-Zuid namelijk onder druk te staan. Conclusie is dat extra maatregelen noodzakelijk zijn. De afweging van maatregelen dient zorgvuldig en op integrale basis plaats te vinden. Hiertoe is een maatregelenpakket vastgesteld door de gemeenteraad.

Uit het meerjarig uitvoeringsprogramma, onderdeel van het Mobiliteitsplan, blijken diverse deelstudies relevant. Een van deze betreft de 'Verkeerssituatie Dommelen-Zuid'. Toegelicht wordt dat een afzonderlijke studie/traject wordt gestart om de verkeersproblematiek ten gevolge van de nieuwe N69 in Dommelen-Zuid op te lossen. Uitkomst van dit traject is dat vanuit de Mgr. Smetsstaat een directe aansluiting op de N69 wordt gerealiseerd. Hierdoor hoeft het verkeer vanuit het buitengebied van Valkenswaard en vanuit het Eurocircuit niet door de kern Dommelen om de N69 te bereiken. De nieuwe aansluiting van de Mgr. Smetsstraat op de N69 zorgt dan ook voor een positief effect op de pijlers waarop het Mobiliteitsplan zich richt; een betere bereikbaarheid en een meer leefbare en verkeersveilige situatie in de kern van Dommelen.

Hoofdstuk 4 Bestaande situatie

Voor nader onderzoek naar de bestaande situatie is nagegaan welke ruimtelijke en functionele kwaliteit in het plangebied aanwezig zijn. Daarnaast is gekeken naar de aspecten die met de fysieke milieuwaarden samenhangen. Verder wordt in dit hoofdstuk de historische kwaliteit beschreven, waarbij archeologie en cultuurhistorie aan bod komen. De uitkomsten van verrichte onderzoeken zijn in dit hoofdstuk vermeld.

4.1 Bestaande ruimtelijke kwaliteit

Het plangebied ligt op de grens van de bebouwde kom van Dommelen en het buitengebied, ten westen van de Mgr. Smetsstraat. De Mgr. Smetsstraat maakt onderdeel uit van de oude route van Valkenswaard naar Bergeijk en Eersel. Langs deze route is het dorp Dommelen ontstaan. De bebouwing aan de Mgr. Smetsstraat bestaat uit historische agrarische bebouwing, oudere dorpswoningen met daartussen enkele nieuwere exemplaren. Het profiel van de Mgr. Smetsstraat bestaat uit brede groenstroken tussen de weg en de trottoirs, begeleid door stevige laanbomen. Kavelgrenzen bestaan uit hagen en lage muurtjes langs voortuinen. Aan de westzijde van het plangebied ligt het beekdal van de Keersop, een zijbeek van de Dommel. De beek ligt in een smalle dalvormige laagte die zich niet duidelijk onderscheid in het landschap.

Aan de noordzijde van het plangebied wordt de nieuwe N69 (Westparallel) gerealiseerd. De N69 loopt haaks over de Mgr. Smetsstraat. Hierdoor wordt onder de N69 een doorgang gecreerd, zodat de Mgr. Smetsstraat blijft doorlopen naar de kern Dommelen. De N69 gaat een harde overgang vormen tussen het bestaand stedelijk gebied van Dommelen en het achterliggend buitengebied. Het plangebied is in de huidige situatie een open agrarisch gebied, in gebruik als akkerland. De in het plangebied te realiseren ontsluiting ligt direct ten zuiden van de N69 en gaat hierop aansluiten. Dit betreft een marginale wijziging ten opzichte van de algehele N69, die geen nadere negatieve invloed heeft op de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving.

4.2 Bestaande functionele kwaliteit

Langs de Mgr. Smetsstraat bevindt zich lintbebouwing met voornamelijk woningen. Ten oosten van de Mgr. Smetsstraat bevindt zich de nieuwe woonwijk Lage Heide. Ten westen en zuiden van het plangebied bevinden zich voornamelijk akkerlanden afgewisseld met bosschages. Ten zuidoosten van het plangebied ligt het Eurocircuit, waar verschillende sport- en recreatieve activiteiten plaatsvinden.

Het plangebied en de omgeving hiervan kenmerken zich door akkerland. Aan weerszijden van het plangebied ter hoogte van de Mgr. Smetsstraat, bevinden zicht twee (agrarische) woningen en bijbehorende bebouwing. De noordelijke woning ligt binnen het plangebied van het PIP en komt te vervallen.

Ten westen van de kern Dommelen wordt een op- en afritconstructie gerealiseerd, zodat de N69 bereikbaar is vanuit de Westerhovenseweg en de Dommelsedijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPmgrsmetsstraatbg-VO01_0006.png"

Afbeelding 6: Uitsnede ruimtelijk plan behorende bij het PIP

4.3 Fysieke milieuwaarden

4.3.1 Water

Algemeen

Onderdeel van het rijksbeleid is de invoering van de watertoets. De watertoets dient te worden toegepast op nieuwe ruimtelijke plannen, zoals bestemmingsplannen, inpassingsplannen, projectbesluiten en buitentoepassingsverklaringen. Als een gemeente een ruimtelijk plan wil opstellen, stelt zij de waterbeheerder vroegtijdig op de hoogte van dit voornemen. De waterbeheerders stellen dan een zogenaamd wateradvies op. Het ruimtelijk plan geeft in de waterparagraaf aan hoe is omgegaan met dit wateradvies.

Onderzoek

AGEL adviseurs heeft een waterparagraaf opgesteld. In de waterparagraaf wordt op beknopte wijze ingegaan op de (eventuele) invloeden die de toekomstige ontwikkeling op de aanwezige waterhuishouding heeft en middels welke maatregelen deze invloeden kunnen worden geminimaliseerd. In verband met het watertoetsproces dienen de afwegingsstappen 'hergebruik - infiltratie - buffering - afvoer’ te worden doorlopen. De waterparagraaf is als Bijlage 1 bij de toelichting opgenomen.

Uit de watertoets blijkt dat op grond van beleid met betrekking tot hydrologisch neutraal ontwikkelen, moet worden voorzien in een compensatie van 157 m3. Binnen het bestemmingsplangebied is voldoende ruimte aanwezig om de verhardingstoename te bergen. Een optie is om aan beide zijden van de weg een sloot te ontwikkelen, waardoor kan worden afgewaterd naar groen en infiltratiesleuven. In het kader van de omgevingsvergunning wordt dit verder uitgewerkt. De haalbaarheid is voor het bestemmingsplan voldoende aangetoond.

Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmering voor de verdere planvorming. Om te voldoen aan de watertoets dient de waterparagraaf formeel ter beoordeling te worden voorgelegd aan het waterschap voor een wateradvies. De uitkomsten hiervan worden te zijner tijd in de toelichting verwerkt.

4.3.2 Bodem

Algemeen

De tijd dat elke vervuiling moest worden aangepakt ligt achter ons. Belangrijkste criterium hierbij is of de vervuiling zodanig is dat er sprake is van risico's voor gezondheid of milieu. In de praktijk blijken er vrijwel nooit risico's te zijn voor de gezondheid van mensen. Milieurisico's (verspreiding en ecologie) komen wel voor, maar meestal gaat het erom dat eventuele vervuilingen afstemming vereisen met bepaalde ontwikkelingen.

Op dit moment is er sprake van een omslag van saneren naar beheren en behoeven alleen de zogeheten "ernstige vervuilingen" in meer of mindere mate aangepakt te worden. De maatregelen worden daarbij afgestemd op de functie.

Regelgeving

Het nationale bodembeleid is geregeld in de Wet bodembescherming (Wbb). Het doel van de Wbb is om te voorkomen dat nieuwe gevallen van bodemverontreinigingen ontstaan. Voor bestaande bodemverontreinigingen is aangegeven in welke situaties (omvang en ernst van verontreiniging) en op welke termijn sanering moet plaatsvinden. Hierbij dient de bodemkwaliteit tenminste geschikt te worden gemaakt voor de functie die erop voorzien is, waarbij verspreiding van verontreiniging zoveel mogelijk wordt voorkomen.

Het beleid gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De gewenste functie bepaalt als het ware de gewenste bodemkwaliteit. Voorliggend bestemmingsplan maakt de realisatie van een nieuwe ontsluitingsweg mogelijk, ter plaatse van gronden die in de huidige situatie een agrarisch gebruik en bestemming kennen. Er is derhalve sprake van een functiewijziging, weliswaar niet naar een gevoelige functie.

Onderzoek

Om inzicht te krijgen in de actuele kwaliteit van de bodem is door AGEL adviseurs een vooronderzoek bodem uitgevoerd. Op basis van het vooronderzoek kan de locatie als onverdacht worden beschouwd ten aanzien van het voorkomen van bodemverontreiniging. Verwacht wordt dat de bodemkwaliteit geen belemmering oplevert bij de bestemmingswijziging temeer ook omdat de bestemming wijzigt in een minder gevoelige functie. Het vooronderzoek is als Bijlage 2 bij de toelichting opgenomen.

Conclusie

De resultaten van het vooronderzoek bodem vormen geen belemmeringen voor de voorgenomen bestemmingsplanprocedure. Aanbevolen wordt voorafgaand aan de fysieke werkzaamheden een volledig verkennend bodemonderzoek uit te voeren conform de NEN 5740.

4.3.3 Flora en fauna

Algemeen

Natuur en groen worden over het algemeen positief gewaardeerd. Zowel in als buiten de stad vertoeven veel mensen in hun vrije tijd graag in de bossen en de parken in en rond de stad. De aanwezigheid van voldoende groen op een bereikbare afstand bepaalt voor een belangrijk deel de leefbaarheid van een woongebied. Ook de aanwezigheid van dieren, bijvoorbeeld vogels, in de stad wordt over het algemeen als positief ervaren. De aanwezigheid van voedsel-, nest- en rustgebied is voor deze dieren van essentieel belang.

Regelgeving

De bescherming van de natuur is in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Daarnaast vindt beleidsmatig gebiedsbescherming plaats door middel van de Natuur Netwerk Nederland (NNN), welke op provinciaal niveau in de structuurvisie en de verordening is vastgelegd.

Wet natuurbescherming

De Wet natuurbescherming beschermt Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. De wet geldt sinds 1 januari 2017 en vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig:

  • 1. bescherming van de biodiversiteit in Nederland;
  • 2. decentralisatie van verantwoordelijkheden en;
  • 3. vereenvoudiging van regels.

Onder de Wet natuurbescherming geldt een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren. De zorgplicht houdt in dat werkzaamheden, die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk worden nagelaten of dat maatregelen worden getroffen om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen. Onderzocht moet worden of ruimtelijke ingrepen effect hebben op beschermde soorten, beschermde gebieden (Natura 2000-gebieden) en beschermde bosopstanden.

Met het van kracht worden van de Wet natuurbescherming zijn vrijwel alle verantwoordelijkheden bij de provincie komen te liggen.

Natuur Netwerk Nederland

Het rijksbeleid geeft het beleidskader voor de duurzame ontwikkeling en een verantwoord toekomstig grondgebruik in de vorm van het Natuurnetwerk Netwerk (NNN). Het NNN is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. Op provinciaal niveau wordt het Natuur Netwerk Brabant (NNB) genoemd.

Onderzoek

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is door Ekoza een quickscan flora en fauna (bureau- en veldonderzoek) uitgevoerd. De rapportage van het bureauonderzoek is als Bijlage 3 aan dit bestemmingsplan toegevoegd. Hierna worden de belangrijkste resultaten weergegeven.

Gebiedsbescherming

Ten behoeve van de aanleg van de N69 zijn maatregelen getroffen ten bate van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux (Wisgerhof et al. 2014). Aangezien de wijziging van de aansluiting van de te realiseren N69 buiten het Natura 2000-gebied ligt, wordt verwacht dat deze kleine wijziging te beperkt van aard is om een extra negatief effect te hebben op Natura 2000-gebieden. Hierdoor zijn de maatregelen die getroffen worden ten aanzien van de aanleg van de N69 voldoende en hoeven er geen extra maatregelen getroffen te worden ten aanzien van de wijziging van de aansluiting.

Het plangebied ligt binnen de grenzen van Natuurnetwerk Nederland. Dit betreft nieuwe natuur met de ambitie kruiden- en faunarijk grasland en algemeen zoekgebied voor Natuurnetwerk. Voor de aanleg van de N69 moet Natuurnetwerk worden gecompenseerd (Wisgerhof et al. 2014). Hierin wordt tevens de compensatie voor de aanleg van voorliggende ontsluitingsweg meegenomen. Een nadere toelichting hierop is in paragraaf 3.2.2 te vinden.

Soortenbescherming

In de Natuurbeschermingswet is een zorgplicht opgenomen. Dit houdt in dat voorafgaand aan de ingreep alle maatregelen dienen te worden getroffen om nadelige gevolgen op flora en fauna voor zover mogelijk te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken. Deze zorgplicht geldt altijd en voor alle soorten, ook als er ontheffing of vrijstelling is verleend.

In de rapportage is ingegaan op de meest relevante soortgroepen. Per soortgroep is, op basis van het onderzoek, een conclusie getrokken over de kans op aanwezigheid. Uit de quickscan blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling geen negatieve effect heeft op het leefgebied van de aanwezige soorten.

Stikstof

Voor het aspect stikstofdepositie is in het kader van het PIP voor de N69 een passende beoordeling opgesteld. De nieuwe ontsluiting vormt geen significante wijziging ten opzichte van de plannen die in het PIP zijn opgenomen. Er is geen sprake van een toename van verkeer door de aanleg van de nieuwe ontsluiting. Het aspect stikstof vormt geen belemmering voor de aanleg van de nieuwe ontsluiting.

Conclusie

Uit de quickscan blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling geen negatieve gevolgen heeft voor de aanwezige planten en dieren. Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

4.3.4 Wegverkeerslawaai

Algemeen

Geluid is één van de factoren die de beleving van de leefomgeving in belangrijke mate bepalen. Door de toename van het verkeer en de bedrijvigheid wordt de omgeving in steeds sterkere mate belast met geluid. Dit leidt tot steeds meer klachten. In een aantal gevallen wordt de gezondheid beïnvloed door geluid. Hoge geluidsniveaus kunnen het gehoor beschadigen en ook de verstoring van de slaap kan op de lange duur slecht zijn voor de gezondheid. Door de toename van het geluid in de omgeving, wordt de behoefte aan stilte steeds meer als een noodzaak gevoeld.

Regelgeving

De Wet geluidhinder, de Luchtvaartwet en de Wet milieubeheer zijn in het kader van geluidhinder van belang. Bij nieuwe ontwikkelingen van geluidgevoelige bestemmingen dient de geluidssituatie in beeld gebracht te worden. De geluidsniveaus op de gevels van de nieuwe gebouwen worden getoetst aan de geluidsnormen. Er dient gekeken te worden naar vier bronnen van geluid, namelijk:

  • wegverkeerslawaai
  • spoorlawaai
  • industrielawaai
  • vliegtuiglawaai

Het juridisch kader voor wegverkeerslawaai, spoorlawaai en industrielawaai wordt gevormd door de Wet geluidhinder. Vliegtuiglawaai wordt geregeld in de Luchtvaartwet. Er liggen geen geluidszones van het spoorlawaai, industrielawaai en vliegtuiglawaai over het plangebied, waardoor deze niet nader beschouwd worden. Door de realisatie van de nieuwe ontsluitingsweg, vindt een wijziging plaats ten opzichte van het vastgestelde PIP.

Onderzoek

Middels een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is in beeld gebracht welke invloed de nieuwe ontsluitingsweg heeft op de woningen in de omgeving van het plangebied. In voorliggend geval liggen bestaande geluidgevoelige bestemmingen namelijk binnen de geluidzone van de nieuw aan te leggen weg.

Uit de beoordeling van de rekenresultaten aan de normstelling van de Wet geluidhinder blijkt dat ter plaatse van alle woningen aan de Mgr. Smetsstraat de geluidbelasting minder bedraagt dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Daarnaast is geen sprake van een reconstructie.

Conclusie

Het aspect wegverkeerslawaai vormt voor de nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, de aanleg van de nieuwe ontsluiting van de Mgr. Smetsstraat naar de te realiseren N69, geen belemmering. De geluidsoverlast aan de voorkant van de woningen zal afnemen, omdat er alleen nog maar lokaal verkeer en langzaam verkeer door de Mgr. Smetsstraat zal rijden.

4.3.5 Luchtkwaliteit

Algemeen

Door de uitstoot van uitlaatgassen door onder andere de industrie en het verkeer komen schadelijke stoffen in de lucht. Vooral langs drukke wegen kunnen de concentraties van verschillende stoffen zo hoog zijn dat deze de gezondheid kunnen aantasten. Om te voorkomen dat de gezondheid wordt aangetast door luchtverontreiniging dient bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden te worden met de luchtkwaliteit ter plaatse.

Regelgeving

De belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer. Titel 5.2 Wet milieubeheer handelt over luchtkwaliteit, daarom staat deze ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Met de 'Wet luchtkwaliteit' en bijbehorende bepalingen en hulpmiddelen, wil de overheid zowel de verbetering van de luchtkwaliteit bewerkstelligen als ook de gewenste ontwikkelingen in ruimtelijke ordening doorgang laten vinden.

De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen.

In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Daarnaast zijn in het NSL diverse concrete projecten/maatregelen opgenomen die hierdoor mogelijk worden gemaakt.

Onderzoek

De aanleg van de N69 Westparallel is, onderverdeeld in diverse deelprojecten, opgenomen in het NSL als projecten die 'in betekenende mate bijdragen' (IBM) aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. De aanleg van de nieuwe verbinding is hierin tevens meegenomen als maatregel om de luchtkwaliteit te verbeteren.

Zoals tevens in de toelichting van het PIP is benadrukt, wordt de aanleg van de N69 in basis mogelijk gemaakt doordat deze is opgenomen in het NSL. De nieuwe ontsluitingsroute die in dit bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt, resulteert niet in een significante wijziging ten opzichte van de algehele Westparallel die middels het PIP wordt gerealiseerd.

Conclusie

Voor het aspect luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen aanwezig voor voorliggend bestemmingsplan.

4.3.6 Externe veiligheid

Algemeen

In het kader van planologische procedures moet het aspect externe veiligheid onderzocht worden. Hierbij dienen de risico's in beeld gebracht te worden die het gevolg zijn van opslag, vervoer of verwerking van gevaarlijke stoffen. Risicobronnen zijn bijvoorbeeld vervoersassen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, buisleidingen en risicovolle inrichtingen.

Externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans.

Regelgeving

Sinds 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van kracht. Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege activiteiten met gevaarlijke stoffen. Het Bevi is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. Het Bevi is van toepassing op vergunningsplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven en wat wordt verstaan onder (beperkt) kwetsbare objecten. Voor buisleidingen geldt het Besluit buisleidingen externe veiligheid (Bevb) van 1 januari 2011. Het externe veiligheidsbeleid voor transport van gevaarlijke stoffen staat in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt).

Uit het Bevi, het Bevb en het Bevt vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's in het projectgebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico's dienen te worden beoordeeld op het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet een verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico moeten andere aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico.

Onderzoek

Het plan betreft een beperkte infrastructurele wijziging ten opzichte van de in het PIP mogelijk gemaakte N69. Over deze weg worden in de toekomst gevaarlijke stoffen vervoerd (zie PIP). Hieruit blijkt dat voor de nieuwe verbinding en de omliggende bestaande wegen het plaatsgebonden risico niet of nauwelijks veranderd. Daarnaast neemt het groepsrisico op de huidige omliggende wegen af door de aanleg van de N69. De nieuwe aansluiting die middels dit bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt, resulteert niet in wijzigingen in het plaatsgebonden- en groepsrisico ten opzichte van de in het PIP bestemde N69.

Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.3.7 Kabels en leidingen

Voor het bestemmingsplan is met name de ligging van de hoofdtransportleidingen van belang aangezien deze gekoppeld zijn aan een bepaalde afstand die aangehouden dient te worden waarbinnen geen bebouwing mag plaatsvinden. Voor het voorliggende bestemmingsplan zijn dergelijke belemmeringen niet aan de orde, zodat er in dit opzicht geen gevolgen zijn voor dit plan.

4.4 Historische kwaliteit

4.4.1 Archeologie

Het verdrag van Malta regelt de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Nederland heeft dit verdrag in 1992 ondertekend en in 1998 geratificeerd. Het Verdrag van Malta (ook wel Verdrag van Valletta genoemd) was geïmplementeerd in de Monumentenwet, tot deze wet op 1 juli 2016 vervangen werd door de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals die in de oude wetten en regelingen golden blijven gehandhaafd. Een belangrijk doel is de bescherming van het archeologische materiaal in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Het is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologisch waarden. Dit was in de voorgaande periode reeds een gebruikelijke praktijk.

Door SRE is voor de gehele gemeente Valkenswaard een Archeologische verwachtingenkaart opgesteld (zie afbeelding 7). In het plangebied gelden diverse archeologische verwachtingen, te weten categorie 4, 5 en 6. Voor de gebieden met waarde is, om de mogelijk aanwezige archeologische waarden te beschermen, een bestemming 'Waarde - Archeologie' passend bij de aanwezige waarden opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPmgrsmetsstraatbg-VO01_0007.png"

Afbeelding 7: Uitsnede archeologische beleidskaart

Onderstaand zijn per categorie de uitgangspunten van de bestemming 'Waarde - Archeologie' opgenomen:

  • A. Categorie 4: Gebied met een hoge archeologische verwachting. In deze gebieden geldt op basis van geomorfologische en bodemkundige opbouw en aangetroffen archeologische vondsten en relicten een hoge archeologische verwachting. Dat wil zeggen dat in deze gebieden sprake is van een hoge concentratie archeologische vindplaatsen met goede conserveringsomstandigheden. De kans op het aantreffen van archeologische vondsten bij bodemingrepen is dus zeer groot. Om die reden is een archeologisch onderzoek vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten die groter zijn dan 500 m² en dieper gaan dan 0,3 m of 0,5 m bij esdek onder maaiveld. Indien nog geen oppervlakte van een totale vergraving bekend is, bijvoorbeeld bij bestemmingsplanwijzigingen, geldt de onderzoeksverplichting voor plangebieden groter dan 1.000 m2.
  • B. Categorie 5: Gebied met een middelhoge archeologische verwachting. In deze gebieden geldt op basis van geomorfologische en bodemkundige opbouw, en aangetroffen archeologische vondsten en relicten een middelhoge archeologische verwachting. Deze zones en gebieden waren net als de gebieden met een hoge verwachting in principe geschikt voor bewoning. De kans op het aantreffen van vondsten is hier echter kleiner, doordat de dichtheid aan vindplaatsen beduidend lager is dan in de gebieden met een hoge verwachting. Om die reden is een archeologisch onderzoek vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten die groter zijn dan 2.500 m² en dieper gaan dan 0,3 m of 0,5 m bij esdek onder maaiveld. Indien nog geen oppervlakte van een totale vergraving bekend is, bijvoorbeeld bij bestemmingsplanwijzigingen, geldt de onderzoeksverplichting voor plangebieden groter dan 5.000 m2.
  • C. Categorie 6: Gebied met een lage archeologische verwachting. Het gaat hierbij om gebieden waar op archeologische en landschappelijke gronden de kans op behoudenswaardige archeologische relicten klein wordt geacht. Om die reden is een archeologisch onderzoek alleen vereist bij bestemmingsplanwijzigingen en omgevingsvergunningen t.b.v. de activiteit ruimtelijke ordening van projectgebieden die groter zijn dan 25.000 m² en dieper gaan dan 0,4 m onder maaiveld. Ook zal bij m.e.r. plicht nader onderzoek worden verlangd.

Onderzoek

Door Transect is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd naar de archeologische waarden in het plangebied. Het onderzoek is als Bijlage 5 bij de toelichting opgenomen. Uit het bureauonderzoek volgt het volgende advies:

Op basis van de middelhoge tot hoge verwachting op archeologische waarden uit de periode Laat-Paleolithicum – Nieuwe tijd wordt geadviseerd om een dubbelbestemming archeologie op te nemen die in lijn is met het huidige bestemmingsplan. Dit houdt in dat voor het zuidelijke deel, langs de Mgr. Smetsstraat, wordt geadviseerd om archeologisch onderzoek uit te laten voeren bij een verstoringsoppervlakte groter dan 500 m2 en dieper dan 30 cm -Mv. Voor het overige gedeelte wordt geadviseerd om een middelhoge verwachting op te nemen, met een archeologische onderzoeksplicht bij verstoring groter dan 2.500 m2 en dieper dan 30 cm -Mv. Vanwege hernieuwd inzicht in het gebruik van beekdalen is het advies om deze verwachting ook over te nemen voor het gedeelte van het plangebied dat binnen het huidige bestemmingsplan een lage archeologische verwachting heeft.

Conclusie

Archeologisch onderzoek ter plaatse van het plangebied is noodzakelijk. Vooralsnog zijn, conform het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied', de dubbelbestemmingen Waarde - Archeologie 4 en 6 opgenomen in dit bestemmingsplan. Wat betreft de inhoud van de regeling is aangesloten op de bestemmingsystemathiek zoals opgenomen in de recente bestemmingsplannen van de gemeente Valkenswaard. Belemmeringen voor de haalbaarheid zijn niet aanwezig.

4.4.2 Cultuurhistorie

Op 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Als gevolg van de MoMo is het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd (artikel 3.1.6, lid 2). Wat eerst voor alleen archeologie gold, geldt nu ook voor al het cultureel erfgoed. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

Afbeelding 8 toont een uitsnede van de aanwezige cultuurhistorische waarden in en nabij het plangebied. De bebouwing aan de Mgr. Smetsstraat maakt onderdeel uit van de oude dorpskern van Dommelen. De structuur dateert grotendeels uit de Late Middeleeuwen (1250-1500). Het plangebied zelf maakt onderdeel uit van het cultuurhistorisch ensemble Dommelen met waardevolle zichtlijnen.

Het plangebied vormt een beperkte afwijking ten opzichte van de plannen die vanuit het PIP mogelijk worden gemaakt. Voor dit plan worden geen historische bouwwerken aangetast. Hierdoor heeft dit plan geen aanvullende negatieve invloed op de cultuurhistorische waarden ter plaatse.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPmgrsmetsstraatbg-VO01_0008.jpg"

Afbeelding 8: Uitsnede Cultuurhistorische waardenkaart

Hoofdstuk 5 Planbeschrijving

5.1 Het plan

De gemeente heeft in de voorbereiding van de nieuwe N69 altijd aangegeven dat voor de Mgr. Smetsstraat ter hoogte van de kruising met het tracé van de nieuwe N69 een overgang of onderdoorgang in de plannen moet worden meegenomen. De provincie heeft dit uitgewerkt in de vorm van een tunnel, geschikt voor de afwikkeling van bestemmingsverkeer (aanwonenden) en landbouwverkeer. Het is een relatief dure oplossing die er van uitgaat dat de afwikkeling van het bestemmingsverkeer blijft plaatsvinden – net als nu het geval is – via de Mgr. Smetsstraat in de kom van Dommelen. Omwonenden klagen al lange tijd over het vele (sluip)verkeer dat van de route gebruik maakt. Met hen is daarom afgesproken te bekijken op welke wijze sluipverkeer kan worden geweerd. Dit geldt ook voor de bewoners in Westerhoven.

Enige tijd geleden is door de gemeenten Valkenswaard, Bergeijk en de provincie een intentieovereenkomst gesloten met betrekking tot de Mgr. Smetsstraat in Dommelen. Daarbij zijn afspraken gemaakt over een oplossing die beter aansluit bij de wensen en bovendien beter inpasbaar en goedkoper is. Die oplossing is gevonden in de vorm van een kortsluiting tussen de zuidelijke toe-/afrit van de nieuwe N69 en de Mgr. Smetsstraat (ter hoogte van huisnummer 40). Het betreft een 60 km/h-weg van circa 150 meter lengte, met een ontsluitende functie voor aanwonenden en agrariërs. Met voorliggend plan wordt deze weg juridisch planologisch geregeld. Daarna kan de in het PIP opgenomen tunnel worden afgewaardeerd. Verkeer ten behoeve van het Eurocircuit en Montana wordt via de bestaande ontsluiting via de Luikerweg en de Kempervennendreef geleid.

De nieuwe ontsluiting zal nooit als reguliere ontsluiting van het Eurocircuit dienen, maar kan onder bepaalde omstandigheden wel dienen als situationele ontsluiting, bijvoorbeeld in geval van grote evenementen. Daarvoor is het noodzakelijk dat voor het gebruik van de weg een vergunning wordt aangevraagd, die moet voldoen aan een aantal voorwaarden om de overlast als gevolg van de verkeersafwikkeling zoveel mogelijk te voorkomen.

Het plangebied zelf sluit zowel in het oosten als in het noorden aan op het plangebied van het PIP. Hierdoor wordt de Mgr. Smetsstraat verbonden met de nog aan te leggen N69. In het plangebied wordt een tweebaansweg ingericht (één rijstrook per richting). Deze rijbanen liggen in het noordelijk gedeelte van het plangebied. Ten zuiden hiervan wordt ruimte geboden voor een groene inpassing en de realisatie van waterberging. Hierdoor wordt de nieuwe ontsluiting landschappelijk ingepast in de omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPmgrsmetsstraatbg-VO01_0009.png"

Afbeelding 9: Inrichting en aansluiting beoogde ontsluiting op omliggende wegen, plangebied in rood omkaderd

Hoofdstuk 6 Uitvoeringsaspecten

6.1 Handhaving

Een van de uitgangspunten bij het ontwikkelen van een bestemmingsplan is dat het plan handhaafbaar dient te zijn. De begrippen toezicht en handhaving definiëren wij als "elke handeling van de gemeente die er op is gericht de naleving van rechtsregels te bevorderen of een overtreding daarvan te beëindigen".

Handhaving van het ruimtelijke beleid is een voorwaarde voor het behoud en de ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit. Artikel 7.1 Wro bepaalt dat burgemeester en wethouders zorg dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens de Wro. Uitvoering van de bestuursrechtelijke handhaving geschiedt conform de gemeentelijke handhavingsstrategie, die opgenomen is in het handhavingsbeleidsplan.

Daarnaast vallen overtredingen van het bestemmingsplan onder de Wet op de economische delicten. Het betreft hier de activiteiten die in de planregels worden genoemd onder gebruiksverbod en bouwverbod. Deze strafrechtelijke handhaving is in het leven geroepen om ernstige onomkeerbare gevolgen, zoals het afbreken van monumentale panden, te voorkomen.

Als een nieuw bestemmingsplan wordt opgesteld en op termijn een ander ruimtelijk rechtsregiem gaat gelden, dient de gemeente op een bepaald ijkmoment inzicht te hebben, wat er feitelijk aan bouwwerken in een gebied aanwezig is, hoe deze en de onbebouwde omgeving worden gebruikt. Dit wordt bij het opstellen van het bestemmingsplan geïnventariseerd.

Reeds bij de totstandkoming van een bestemmingsplan dient terdege aandacht te worden besteed aan de handhaafbaarheid van de voorgeschreven regels. Om een goed handhavingsbeleid mogelijk te maken moeten doelstellingen duidelijk aangegeven worden. Op basis van een risico-analyse en aandachtspunten worden prioriteiten gesteld en wordt de handhavingsorganisatie zodanig ingericht dat gestelde doelen bereikt kunnen worden.

Vier factoren zijn van wezenlijk belang voor een goed handhavingsbeleid.

  • 1. Voldoende kenbaarheid van het plan. Een goed handhavingsbeleid begint bij de kenbaarheid van het bestemmingsplan bij degenen die het moeten naleven. Met het oog hierop heeft de wet in de bestemmingsplanprocedure in ieder geval een aantal verplichte inspraakmomenten ingebouwd.
  • 2. Voldoende draagvlak voor het beleid en de regeling in het plan. De inhoud van het plan kan slechts gehandhaafd worden indien het beleid en de regeling in grote kring ondersteund wordt door de gebruikers van het bestemmingsplan. Uiteraard kan niet een ieder zich vinden in elk onderdeel van het plan. Een algemene positieve benadering van het bestemmingsplan is echter wel wenselijk.
  • 3. Inzichtelijke en realistische regeling. Een juridische regeling dient inzichtelijk en realistisch te zijn. Dit houdt in: helder van opzet, niet onnodig beperkend of inflexibel en goed controleerbaar. De regels behoren dan ook niet meer dan noodzakelijk is te regelen.
  • 4. Actief handhavingsbeleid. Het sluitstuk van een goed handhavingsbeleid is voldoende controle van de feitelijke situatie in het plangebied. Daarnaast moeten adequate maatregelen worden getroffen indien de regels worden overtreden. Indien deze maatregelen achterwege blijven, ontstaat een grote mate van rechtsonzekerheid. De rechtssituatie gaat specifiek een rol spelen als in het kader van toezicht en handhaving teruggegrepen moet worden op het overgangsrecht, zoals dat in het geldend bestemmingsplan is beschreven. Op grond van het overgangsrecht is met objectieve feiten vast te stellen hoe de rechtssituatie is en of er bouw- en of gebruiksregels worden overtreden.

Door een inzichtelijk plan te maken is zoveel mogelijk evenwicht gezocht tussen de zeer diverse waarden die beschermd moeten worden, de verschillende ontwikkelingen die mogelijk zouden moeten zijn, de voorwaarden die daarbij dan gesteld moeten worden, en de afstemming met de beleidslijnen van bijvoorbeeld waterschap, provincie, etc..

Handhaving van gebruiks- en aanlegregels wordt algemeen als knelpunt ervaren. Teneinde de handhaafbaarheid te bevorderen worden de aanwezige kwaliteiten zo specifiek mogelijk op de verbeelding weergegeven.

6.2 Economische uitvoerbaarheid

Wanneer voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan (zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening) is voorgenomen, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd.

De gemeente is initiatiefnemer van de alternatieve ontsluiting van de Mgr. Smetsstraat. Hiermee wil de gemeente de Mgr. Smetsstraat binnen de bebouwde kom ontlasten voor autoverkeer. Vanwege de samenhang met de Westparallel en kans tot sluipverkeer in het achterland is in 2015 een intentieovereenkomst gesloten tussen de provincie Noord-Brabant en de gemeenten Bergeijk en Valkenswaard. Hierin is afgesproken dat de provincie de alternatieve ontsluiting zal bekostigen. Deze afspraak wordt nogmaals bekrachtigd in de nog te sluiten uitvoeringsovereenkomst tussen gemeente Valkenswaard en provincie Noord-Brabant.

Hoofdstuk 7 Juridische regeling

7.1 Algemeen

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de juridisch bindende regels. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en de regels over de toegelaten bebouwing. De verbeelding is samen met de regels het juridisch bindend kader van de bestemmingen. De toelichting heeft geen juridisch bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan en soms voor de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.

De regels zijn verdeeld in vier hoofdstukken.

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels en bestaat uit twee artikelen. Artikel 1 geeft een omschrijving van de in de regels gehanteerde begrippen. Artikel 2 geeft aan hoe bepaalde afstanden, maten, oppervlakte en inhoud gemeten moeten worden.

In hoofdstuk 2 zijn de verschillende bestemmingen opgenomen. Per bestemming wordt aangegeven welke functies en doeleinden op de gronden toelaatbaar zijn en wat er mag worden gebouwd. Ook dubbelbestemmingen zijn in dit hoofdstuk opgenomen.

In hoofdstuk 3 worden de algemene regels behandeld, waarbij onder andere gedacht moet worden aan de anti-dubbeltelbepaling en de algemene afwijkingsregels.

Hoofdstuk 4 bevat regels met betrekking tot het overgangsrecht en de slotregel.

7.2 Artikelsgewijze toelichting

In de volgende paragrafen is een toelichting opgenomen van de in de regels opgenomen bestemmingen.

7.2.1 Inleidende regels

Begrippen
In dit artikel worden de begrippen nader omschreven die gebruikt worden in de regels. Dit voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen.

Wijze van meten

In dit artikel wordt beschreven op welke wijze de in de regels voorgeschreven maatvoeringen gemeten moeten worden.

7.2.2 Bestemmingen

De bestemmingsomschrijving betreft de centrale bepaling van elke bestemming. Het betreft een omschrijving waarin de functies worden benoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan (het gebruik).

De bouwregels zijn direct gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Bouwregels zijn dan ook alleen van toepassing bij de toetsing van aanvragen om een omgevingsvergunning voor het bouwen.

In dit bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen gebruikt:

Artikel 3 Groen

Ten zuiden van de te realiseren rijbaan is een zone bestemd als Groen. Binnen de groenbestemming zijn groenvoorzieningen, maar ook paden, waterhuishoudkundige voorzieningen, waterberging en natuur toegestaan. Op deze gronden zijn alleen nutsvoorzieningen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan. Dit overeenkomstig de groenbestemming zoals opgenomen in het PIP.

Artikel 4 Verkeer - 3
Binnen deze bestemming zijn wegen toegestaan specifiek voor de bereikbaarheid van de vergunninghouders, zoals aanwonenden en agrariërs. . Binnen deze bestemming zijn ook langzaam verkeerverbindingen toegestaan. Onderdeel van deze verkeersbestemming zijn tevens de bij de weg behorende voorzieningen zoals vluchtstroken, wegbermen, taluds en waterhuishoudkundige voorzieningen. Binnen de bestemming is een weg met niet meer dan 1 x 2 rijstroken toegestaan.


Artikel 5 Waarde - Archeologie 4

Categorie 4: Gebied met een hoge archeologische verwachting. In deze gebieden geldt op basis van geomorfologische en bodemkundige opbouw en aangetroffen archeologische vondsten en
relicten een hoge archeologische verwachting. Dat wil zeggen dat in deze gebieden sprake is van een hoge concentratie archeologische vindplaatsen met goede conserveringsomstandigheden. De kans op het aantreffen van archeologische vondsten bij bodemingrepen is dus zeer groot. Om die reden is een archeologisch onderzoek vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten die groter zijn dan 500 m² en dieper gaan dan 0,3 meter of 0,5 meter bij esdek onder maaiveld.

Artikel 6 Waarde - Archeologie 6

Categorie 6: Gebied met een lage archeologische verwachting. Het gaat hierbij om gebieden waar op archeologische en landschappelijke gronden de kans op behoudenswaardige archeologische relicten klein wordt geacht. Om die reden is een archeologisch onderzoek alleen vereist bij bestemmingsplanwijzigingen en omgevingsvergunningen t.b.v. de activiteit ruimtelijke ordening van projectgebieden die groter zijn dan 25.000 m² en dieper gaan dan 0,4 meter onder maaiveld. Ook zal bij m.e.r. plicht nader onderzoek worden verlangd.

Artikel 7 Waarde - Hydrologie

Ter bescherming van het attentiegebied Natuur Netwerk Brabant is de dubbelbestemming 'Waarde - Hydrologie' opgenomen. De voor deze bestemming aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor behoud, herstel en ontwikkeling van bestaande watersystemen. Er geldt een omgevingsvergunningplicht voor werken en werkzaamheden.

Artikel 8 Waterstaat - Waterbergingsgebied

Ter bescherming van het waterbergend vermogen van het gebied, is de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterbergingsgebied' overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan Buitengebied. Hierdoor worden regels gesteld voor het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van het waterbergend vermogen.

7.2.3 Algemene regels

In dit hoofdstuk zijn de aanvullende, algemene regels opgenomen.

Artikel 9 Anti-dubbeltelregel
Dit artikel bevat de bepaling om te voorkomen dat met het bestemmingsplan strijdige situaties ontstaan of worden vergroot. Het artikel is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening en is daaruit overgenomen.

Artikel 10 Algemene afwijkingsregels

In dit artikel is in aanvulling op de afwijkingsregels uit de bestemmingen nog een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Het bevoegd gezag kan hierbij tevens nadere eisen stellen. De belangen van waaruit die eisen worden gesteld, zijn ook nader opgesomd in dit artikel.

Op deze algemene afwijkingsregels kan een beroep gedaan worden, waar het gaat om bijvoorbeeld bepaalde overschrijdingen met 10%, voor het oprichten van bouwwerken ter wering van geluidhinder, voor gebouwtjes ten dienste van het verkeer of openbaar nut, voor antennes en zendmasten en voor bepaalde bouwwerken op of direct nabij de openbare weg.

Artikel 11 Algemene wijzigingsregels
Op deze algemene wijzigingsregels kan een beroep gedaan worden, waar het gaat om bijvoorbeeld bepaalde overschrijdingen met 10%, voor de in het plan aangegeven bestemmingsplangrens, van het beloop of het profiel van een weg, alsmede van de vorm van bouwvlakken voor zover zulks bij de definitieve uitmeting, bij de verkaveling of bij de nadere detaillering noodzakelijk en/of wenselijk is.

Artikel 12 Algemene procedureregels
In dit artikel is de procedure opgenomen die gevolgd moet worden bij het stellen van nadere eisen.

7.2.4 Overgangs- en slotregels

Artikel 13 Overgangsrecht
De tekst uit dit artikel is wettelijk vastgelegd en overeenkomstig opgenomen. Het betreft een regeling voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het inwerking treden van het bestemmingsplan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd.

Artikel 14 Slotregel
In de slotregel wordt aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

 

Hoofdstuk 8 Overleg en inspraak

8.1 Overleg

In het kader van het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) wordt het voorontwerpbestemmingsplan 'Partiële herziening bestemmingsplan Buitengebied t.h.v. Mgr. Smetsstraat 40' voorgelegd aan de de daartoe in aanmerking komende instanties. De vooroverlegreacties worden te zijner tijd in dit bestemmingsplan verwerkt.

8.2 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan 'Partiële herziening bestemmingsplan Buitengebied t.h.v. Mgr. Smetsstraat 40' wordt ingevolge artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken ter inzage gelegd, waarbij de gelegenheid wordt geboden tot het indienen van zienswijzen. De resultaten van deze procedure worden te zijner tijd in de toelichting verwerkt.