direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Kromstraat 42-44
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0858.BPkromstraat4244-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

Een initiatiefnemer heeft het voornemen om twee vrijstaande woningen te realiseren op een perceel aan de Kromstraat 42-44 in Valkenswaard. Het perceel is thans geheel in onbebouwde staat. Tot januari 2016 was er een langgevelboerderij gesitueerd. Het is gewenst om twee vrijstaande woningen op te richten aan de hand van stedenbouwkundige randvoorwaarden, er is zodoende geen sprake van een concreet bouwplan.


De beoogde ontwikkeling is niet mogelijk binnen het vigerende bestemmingsplan "Mozaïek". De gemeente Valkenswaard heeft aangegeven medewerking te willen verlenen aan de realisatie van de woningen. Dit is mogelijk door een nieuw bestemmingsplan op te stellen, dat specifiek gericht is op het planvoornemen. Onderhavig bestemmingsplan voorziet in een passende juridisch-planologische basis om de woningen te kunnen realiseren.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPkromstraat4244-VA01_0001.png"

Aanduiding plangebied in zwart op topografische kaart (bron: BRT TOP25raster van april 2014)

1.2 Plankarakter

Het bestemmingsplan "Kromstraat 42 - 44" draagt het karakter van een ontwikkelingsgericht plan. Dit houdt in, dat er in het plangebied stedenbouwkundige/ruimtelijke veranderingen worden voorzien. In hoofdstuk 5 is een beschrijving opgenomen van de gewenste ontwikkeling.

1.3 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt de situering van het plangebied beschreven en de huidige juridische regeling. Hierna wordt in hoofdstuk 3 het planologische kader geschetst. Hoofdstuk 4 bevat een omschrijving van de bestaande situatie en hierin komen de fysieke milieuwaarden zoals water, bodem en wegverkeerslawaai aan de orde. In hoofdstuk 5 volgt een omschrijving van het stedenbouwkundig plan. Hoofdstuk 6 gaat in op de uitvoeringsaspecten, zoals handhaving en economische uitvoerbaarheid. In hoofdstuk 7 volgt de opzet van de juridische regeling en hoofdstuk 8 bevat tenslotte de resultaten van inspraak, overleg en de formele procedure ex artikel 3.8 Wro.

Hoofdstuk 2 Plangebied

2.1 Situering

Het plangebied is gelegen in het zuidwestelijke deel van Valkenswaard. De Kromstraat is een bebouwingslint en vormt de overgang van het stedelijke naar het landelijke gebied. Het plangebied is circa 4.000 m² groot en is kadastraal bekend onder perceelnummer D 5716. Het gebied wordt aan de zuidzijde begrensd door de Kromstraat. Aan de westzijde is een bedrijfsperceel gesitueerd en aan de oostzijde een woning. Ten noorden van het plangebied is tenslotte een weiland aanwezig.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPkromstraat4244-VA01_0002.png"

Luchtfoto Kromstraat met aanduiding plangebied (bron: PDOK viewer)

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPkromstraat4244-VA01_0003.png"

Begrenzing plangebied op kadastrale ondergrond

2.2 Vigerend bestemmingsplan

Toetsingskader

Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan "Mozaïek", vastgesteld door de gemeenteraad op 25 april 2013. Het plangebied heeft de bestemmingen 'Wonen' en Tuin'. Binnen het bouwvlak zijn twee wooneenheden toegestaan, waarbij binnen het bouwvlak een hoofdgebouw is toegestaan met een maximale goot- en bouwhoogte van 4 meter respectievelijk 10 meter. Daarnaast gelden in het plangebied twee dubbelbestemmingen: 'Waarde - Archeologie - 2' voor het zuidelijke deel en 'Waarde - Archeologie - 3' voor het noordelijke deel. Voor 'Waarde - Archeologie - 2' geldt dat archeologisch onderzoek vereist is wanneer het te bebouwen oppervlak groter is dan 100 m² en de verstoringsdiepte meer is dan 0,3 meter onder maaiveld. Voor het gebied met 'Waarde - Archeologie - 3' geldt een oppervlak van minimaal 250 m².

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPkromstraat4244-VA01_0004.png"

Uitsnede bestemmingsplan "Mozaïek" met aanduiding plangebied

Beoordeling

Het plan bestaat uit de realisatie van twee vrijstaande woningen in het zuidelijke deel van het plangebied. Deze woningen worden (gedeeltelijk) buiten het bouwvlak opgericht en kennen daarnaast een gedeeltelijk afwijkende maatvoering. De woningen worden op grotere afstand van de straat gesitueerd, zodat het straatbeeld verbeterd wordt.


Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het voorliggende initiatief strijdig is het met het huidige bestemmingsplan. Het onderhavige bestemmingsplan voorziet in een nieuwe planologische regeling om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken.


Hoofdstuk 3 Planologisch kader

3.1 Inleiding

De gemeente Valkenswaard heeft te maken met de vigerende beleidskaders van de landelijke en provinciale overheid; ontwikkelingen dienen te voldoen aan dit beleid. Daarnaast dient de voorgenomen ontwikkeling zich eveneens te voegen binnen de marges van het gemeentelijke beleid. Het ruimtelijk beleid van de drie voorgenoemde overheden is per overheidslaag neergelegd in één of meerdere zogenoemde structuurvisies. Voor de realisatie van het beleid zetten de verschillende overheden een mix van instrumenten in. Eén van die instrumenten betreft het vertalen van het beleid uit de structuurvisie naar een juridisch bindende verordening. Hieronder zijn de voor dit bestemmingsplan relevante structuurvisies en verordeningen per overheidslaag weergegeven en wordt getoetst of onderhavige ontwikkeling passend is binnen het beleid.

3.2 Nationaal beleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), 2012

Toetsingskader

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van kracht geworden. Deze structuurvisie vormt de uitwerking van de ambities van het Rijk, op basis van haar verantwoordelijkheden, in Rijksdoelen en daarmee samenhangende nationale belangen op het gebied van een samenhangend ruimtelijk en mobiliteitsbeleid. Het Rijk heeft tot doel Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te maken in een periode van economische conjunctuurschommelingen, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen. Aanleiding voor het vaststellen van de visie is de constatering dat het voorheen geldende ruimtelijke Rijksbeleid onvoldoende bijdroeg aan het behalen van deze doelen, onder meer door het veroorzaken van bestuurlijke drukte, ingewikkelde regelgeving en een te sectorale blik op vraagstukken. Om dit te keren brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij diegene die het aangaat en laat het meer over aan gemeenten en provincies.

Het Rijk onderscheidt thans nog dertien nationale belangen. Uitsluitend op basis van deze belangen intervenieert het Rijk in de ruimtelijke ordening. Een groot deel van deze belangen leidt tot het reserveren van ruimte voor functies. Dit betreft dan bijvoorbeeld het reserveren van ruimte voor waterberging, militaire activiteiten en de uitbreiding van het hoofdwegennet. Deze belangen zijn vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). Eén van de belangen die niet leidt tot een ruimtereservering is het belang van een 'zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten'. In het kader van dit belang heeft het Rijk besloten om, ten behoeve van het verminderen van de bestuurlijke drukte en het neerleggen van verantwoordelijkheden bij decentrale overheden, de verstedelijkingsstrategie te wijzigen. Dit houdt in dat het bundelingsbeleid, verdichtingsbeleid, locatiebeleid voor bedrijven en voorzieningen, beleid voor basiskwaliteit, stedelijke netwerken, nationale landschappen en rijksbufferzones is afgeschaft en dat daar slechts één beleidslijn voor terug komt: de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Deze 'ladder' heeft tot doel het principe van vraaggericht programmeren en het principe van zorgvuldig ruimtegebruik bindend voor te schrijven bij de afwegingen van gemeenten en provincies. Dit belang is als procesvereiste vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).


Grondgedachte van de 'ladder' is dat een activiteit op meerdere locaties zou kunnen plaatsvinden en dat vervolgens de planologisch meest juiste locatie gekozen moet worden. Dat gaat uit van de activiteit. Hiermee wordt beoogd om de voorheen bestaande praktijk, waarbij in veel gevallen een bestemming wordt gezocht voor een bepaalde locatie (bv. herbestemmen van een voormalige vuilstortplaats), om te vormen.


Beoordeling

Het voorliggende plangebied is niet gelegen in een gebied waarvoor van rijkswege een (relevante) ruimtereservering geldt. Uitsluitend het nationale belang van een 'zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten', als vervat in de 'ladder voor duurzame verstedelijking', is van toepassing op het onderhavige bestemmingsplan. Aan dit belang wordt navolgend getoetst.


Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het onderhavige plangebied niet gelegen is in een gebied waarvoor van Rijkswege een relevante ruimtereservering geldt. Aan de 'ladder voor duurzame verstedelijking' wordt navolgend getoetst.


Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), 2012

Toetsingskader

Het Rijk heeft in de hiervoor genoemde SVIR vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet. De SVIR bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op provinciaal en gemeentelijk niveau. Ten aanzien daarvan is een borging door middel van normstelling, gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening, gewenst. Die uitspraken onderscheiden zich in die zin dat van de provincies en de gemeenten wordt gevraagd om de inhoud daarvan te laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming. Zij zijn dus concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect door te werken tot op het niveau van de lokale besluitvorming, zoals de vaststelling van bestemmings- en wijzigingsplannen.


Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Op 30 december 2011 is het Barro in werking getreden met daarin een regeling voor een beperkt aantal onderwerpen. Op 1 oktober 2012 is het besluit aangevuld met regels voor de andere beleidskaders uit de SVIR en tevens uit het Nationaal Waterplan en het Derde Structuurschema Elektriciteitsvoorziening. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Een aantal onderwerpen is geregeld in de bij het Barro behorende Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro).


Beoordeling

Het plangebied is niet gelegen in een gebied waarvoor op basis van het Barro en Rarro een relevante ruimtereservering geldt. Daarnaast wordt niet in een ontwikkeling voorzien die raakt aan een van de nationale belangen.


Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het Barro en Rarro niet van toepassing zijn op onderhavig plan.



Ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6 lid 2 Bro), 2012

Toetsingskader

Met de inwerkingtreding op 1 oktober 2012 van art. 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) - de 'ladder voor duurzame verstedelijking' - geldt voor alle juridisch verbindende ruimtelijke plannen van decentrale overheden die (planologisch) nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken een bijzonder procesvereiste. Dit procesvereiste is gebaseerd op één van de nationale belangen als opgenomen in de SVIR, opgesteld door het Rijk. Dit nationale belang houdt in dat, ten behoeve van een goed systeem van ruimtelijke ordening, een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten plaats dient te vinden. Deze zorgvuldige afweging heeft tot doel om, vanuit een oogpunt van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, planologisch ongewenste versnippering en een onaanvaardbare leegstand te voorkomen. Het Rijk heeft er voor gekozen om, gedeeltelijk gebaseerd op de al langer geldende SER-ladder uit 1999, het procesvereiste vorm te geven als een determinerend-cumulatief werkende motivatieverplichting. De motivatieverplichting voor ruimtelijke besluiten, welke geldt voor de maximale planologische mogelijkheden inclusief flexibiliteitsinstrumenten (waarbij planologische saldering niet per definitie is toegestaan), bestaat uit drie eisen (treden):

  • a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;
  • b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;
  • c. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

Beoordeling

Ten aanzien van de eerste trede dient primair te worden beoordeeld of het planvoornemen een stedelijke ontwikkeling betreft. Een stedelijke ontwikkeling wordt in artikel 1.1.1, lid 1, onder i van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) als volgt gedefinieerd: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Het onderhavige planvoornemen betreft de realisatie van twee woningen in een gebied waar conform het vigerende bestemmingsplan reeds twee woningen toegestaan zijn. Er is dan ook geen sprake van toevoeging van woningen.


Conclusie

Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder voor duurzame verstedelijking. Daardoor is de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing.

3.3 Provinciaal beleid

Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010 - partiële herziening 2014, 2014

Toetsingskader

De Structuurvisie Ruimtelijke Ordening (SVRO) is vastgesteld door Provinciale Staten op 1 oktober 2010 en geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). Belangrijke beleidslijnen in de SVRO zijn het principe van concentratie van verstedelijking, zorgvuldig ruimtegebruik, verantwoord omgaan met de natuurlijke basis, het streven naar robuuste en aaneengeschakelde natuurgebieden. Sinds de vaststelling in 2010 hebben Provinciale Staten diverse besluiten genomen die een verandering brengen in de provinciale rol en sturing, of van provinciaal beleid. Deze besluiten zijn vertaald in de partiële herziening van de structuurvisie, zoals vastgesteld door Provinciale Staten op 7 februari 2014. Op onder andere de volgende onderdelen vindt bijsturing van het beleid plaats: transitie van stad en platteland, intrekken reconstructie- en gebiedsplannen, groenbeleid, samenhangend beleid voor de ondergrond en de transitie naar een zorgvuldige veehouderij. De, ongewijzigde, provinciale sturingsfilosofie is gebaseerd op vijf rollen: ontwikkelen, ordenen, beschermen, regionaal samenwerken en stimuleren. Twee rollen zijn met name van belang voor onderhavig plan: de ordenende en de beschermende rol.


De ordenende rol gaat uit van het behartigen van ruimtelijke belangen en keuzes. Deze zijn geordend in vier ruimtelijke structuren. De structuren geven een hoofdkoers aan: een ruimtelijk ontwikkelingsperspectief voor een combinatie van functies. Maar ook waar functies worden uitgesloten of welke randvoorwaarden de provincie aan functies stelt. Binnen de structuren is ruimte voor regionaal maatwerk. De vier onderscheidende structuren zijn: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur. Het uitgangspunt van de beschermende rol is zorgvuldig ruimtegebruik. Bij ruimtelijke afwegingen betekent dat eerst gekeken wordt naar mogelijkheden voor intensivering of hergebruik op of binnen bestaand bebouwd gebied. De provincie wil nieuw ruimtebeslag zoveel mogelijk voorkomen.


Beoordeling

Het plangebied is gelegen in gemengd landelijk gebied. Binnen deze gebieden is multifunctioneel gebruik uitgangspunt. Gemengd landelijk gebied is een veelzijdige gebruiksruimte. Ontwikkelingen, zoals wonen, werken, (historische) landgoederen, recreatie en toerisme, passen qua aard, schaal en functie bij de omgeving en houden rekening met de omgevingskwaliteiten. De ontwikkeling van functies is in beginsel alleen mogelijk op vrijkomende locaties. Er wordt rekening gehouden met (ontwikkelingsmogelijkheden van) omliggende bestaande functies, zoals volwaardige agrarische bedrijven, recreatiebedrijven of woonfuncties. Met de realisatie van twee woningen in de lintbebouwing aan de Kromstraat, ter vervanging van een boerderij met twee wooneenheden wordt bijgedragen aan het leidende principe van 'zorgvuldig ruimtegebruik'. Zo vindt ten eerste vervanging van de huidige woningen plaats en ten tweede een versterking van de karakteristiek van het bebouwingslint.


afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPkromstraat4244-VA01_0005.png"

Uitsnede uit de Structurenkaart van de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening met daarop weergegeven de ligging van plangebied. Het plangebied is gelegen in het gemengd landelijk gebied (oranje aanduiding)

Conclusie

Het voorliggende initiatief is passend binnen de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening van de provincie Noord-Brabant.


Verordening ruimte 2014, 2014

Toetsingskader

In de SVRO zijn de hoofdlijnen van het provinciale beleid voor de komende periode aangegeven. Daarin is voor de doelen en ambities die bereikt moeten worden per onderwerp aangegeven welke instrumenten de provincie wil inzetten. In een aantal gevallen is gekozen voor het instrument 'planologische verordening', bekend als Verordening ruimte. Op 7 februari 2014 is de Verordening ruimte 2014 vastgesteld door Provinciale Staten. Deze stelt regels aan onder meer de bundeling van stedelijke ontwikkeling, natuurontwikkeling, de ontwikkeling van intensieve veehouderijen, waterberging, cultuurhistorie en het agrarisch gebied. Een geactualiseerde versie van de Verordening ruimte 2014 is in werking getreden op 15 juli 2015.


Beoordeling

Het plangebied is gelegen binnen de structuur 'Bestaand stedelijk gebied, stedelijk concentratiegebied. Het plan wordt getoetst aan de bijbehorende regels uit de Verordening ruimte 2014.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPkromstraat4244-VA01_0006.png"

Uitsnede kaartbeeld 'Stedelijke ontwikkeling' Verordening ruimte 2014 met aanduiding plangebied

Om duidelijk te kunnen bepalen waar de bundelingsregels voor stedelijke ontwikkeling en de daarvan afgeleide regels van het beleid gelden is in de Verordening ruimte 2014 het bestaand stedelijke gebied van alle Brabantse kernen vastgesteld. Onder 'bestaand stedelijk gebied' wordt verstaan: een aangewezen gebied dat het bestaande ruimtebeslag van een kern bevat ten behoeve van een samenhangende ruimtelijke structuur van stedelijke functies. Binnen het als zodanig aangewezen stedelijk gebied is de gemeente in het algemeen vrij - binnen de grenzen van andere wetgeving - om te voorzien in stedelijke ontwikkeling. Voor nieuwbouw van woningen in bestaand stedelijk gebied zijn in de Verordening ruimte regels opgenomen. Omdat in de huidige planologische situatie reeds twee woningen mogelijk zijn, is er geen sprake van toevoeging van woningen. Toetsing aan de regionale woningbouwafspraken is dan ook niet aan de orde.


Conclusie

Het onderhavige initiatief past binnen de regels van de Verordening ruimte 2014.

3.4 Gemeentelijk beleid

Structuurvisie Valkenswaard


Toetsingskader

De gemeenteraad van Valkenswaard heeft op 2 juli 2012 op grond van artikel 2.1 van de Wet ruimtelijke ordening de Structuurvisie Valkenswaard deel A vastgesteld. Dit deel van de structuurvisie dient als ruimtelijk toetsingskader en visie op hoofdlijnen gericht op de lange termijn. De visie formuleert niet alleen de ontwikkelingskoers voor de lange termijn maar biedt tevens het casco voor concrete projecten en plannen. Het is dus een toetsingskader, maar tegelijkertijd ook een inspiratiekader voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het ruimtelijk- functioneel programma en uitvoeringsplan voor de korte (en middellange) termijn is uitgewerkt in deel B (vastgesteld op 28 november 2013). In deel A van de structuurvisie is een visie beschreven voor de bebouwde kom van Valkenswaard. Valkenswaard is ten opzichte van Dommelen en Borkel en Schaft de meest stedelijke kern. Dit betekent dat er meer mogelijkheden zijn voor nieuwe ontwikkelingen, vooral in het centrum en aan de randen van het centrum.

Beoordeling

De Kromstraat is in de Structuurvisie aangeduid als structureel groen. Deze straat heeft een belangrijke functie als groene recreatieve route van het buitengebied naar het centrum. Tevens is het een cultuurhistorisch waardevolle weg. Ten noorden van de Kromstraat is een gebied aangewezen voor uitbreiding van woningbouw.

De ontwikkeling binnen het plangebied betreft de realisatie van twee vrijstaande woningen, ter vervanging van een boerderij met twee wooneenheden. Voor de nieuwe woningen gelden randvoorwaarden om de karakteristiek van de Kromstraat, bestaande uit een groene uitstraling met traditioneel vormgegeven bebouwing, te behouden en te versterken. Deze voorwaarden hebben betrekking op de situering, vormgeving en beeldkwaliteit van de woningen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPkromstraat4244-VA01_0007.png"

Uitsnede kaart Structuurvisie met aanduiding van plangebied in wit

Conclusie

De ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten van de Structuurvisie Valkenswaard.

Structuurplan Valkenswaard-Zuid

Toetsingskader

Op 29 januari 2004 is door de gemeenteraad van Valkenswaard het Structuurplan Valkenswaard-Zuid vastgesteld. Het betreft het gebied tussen de Dommelseweg, Luikerweg en de Venbergseweg, de zuidwestflank van Valkenswaard. Dit gebied is al jarenlang object van studie. Het gebied is in diverse beleidsvisies en studies aangewezen als bedrijventerrein of woongebied. Daarnaast is er nieuwe infrastructuur in het gebied gepland. In 2001 is de gebiedsvisie Valkenswaard-Zuid vastgesteld, waarin de ambities en uitgangspunten voor het gebied zijn verwoord. In dit structuurplan zijn deze ambities en uitgangspunten uitgewerkt tot een concreet plan.


In het structuurplan vinden de belangrijkste ontwikkelingen op het stedelijk vlak plaats op het bedrijventerrein en het woongebied. In de overige deelgebieden, waaronder de omgeving van het plangebied, wordt de nadruk meer gelegd op water (de Dommel en waterberging), natuur en landschap. Hierbij zal passende woonbebouwing worden gerealiseerd, waarbij de natuurlijke en landschappelijke kwaliteiten van het gebied zullen worden versterkt.


Beoordeling

Het plangebied is gelegen in het deelgebied Mozaïek. Het is het uiterste punt van het landschapspark van Valkenswaard-Zuid en is op te vatten als een groene wig in de stedelijke omgeving. In het deelgebied zijn twee belangrijke bebouwingslinten aanwezig: de Kromstraat en de Luikerweg. De Kromstraat deelt het gebied in twee delen, waarbij het huidige bebouwingslint van deze straat op een aantal strategische plekken kan worden versterkt. De ruimte achter de linten wordt benut voor extensieve woningbouw in een parkachtige omgeving. In het structuurplan is het plangebied opgenomen met de inmiddels gesloopte boerderij. Er zijn geen ontwikkelingen van belang voor de invulling van het plangebied. Uitgangspunt voor het bebouwingslint van de Kromstraat is dat deze gehandhaafd en waar mogelijk versterkt wordt. Hiervan is met onderhavige ontwikkeling sprake.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPkromstraat4244-VA01_0008.png"

Impressie deelgebied Mozaïek met aanduiding plangebied

Conclusie

De ontwikkeling in het plangebied past binnen het Structuurplan Valkenswaard-Zuid.


Beeldkwaliteit in het vizier, welstandsnota 2004

Toetsingskader

De gemeente Valkenswaard heeft in juni 2004 de welstandsnota vastgesteld die als wettelijke basis dient voor het welstandsbeleid binnen de gemeente. In deze nota is Valkenswaard ingedeeld in een aantal clusters van gebieden, te weten centra, historisch gegroeide gebieden, planmatig ontworpen woongebieden, bedrijfs- en voorzieningenlocaties en groengebieden. Het verstedelijkingspatroon binnen de gemeente is sterk bepalend (geweest) voor de stedelijke ontwikkeling en opbouw van de bebouwde omgeving. Historisch gegroeide gebieden nemen door hun ligging, (cultuurhistorische contexte en/of bebouwingseigenschappen een bijzondere plaats in. Deze gebieden zijn nader onderverdeeld in drie clusters, te weten historische dorpsgebieden, historische bebouwingslinten en gemengde bebouwing.


Beoordeling

Het plangebied maakt deel uit van het gebied H 3.1 gemengde bebouwing Valkenswaard. Deze gebieden zijn na de organische groei van de bebouwingslinten op een meer planmatige wijze verder gegroeid en zijn voorzien van welstandsniveau 3 (neutrale betekenis). Oude karakteristieke boerderijen worden in deze gebieden afgewisseld door vrijstaande en twee-onder-één-kap woningen. De bebouwing is veelal haaks danwel evenwijdig aan de weg gesitueerd, waarbij de rooilijn het verloop van de weg volgt. De bebouwing bestaat over het algemeen uit één of twee bouwlagen met kap. De veelvoorkomende zadeldaken worden afgewisseld met (samengestelde) schild- en piramidedaken. Het gevarieerde en gedifferentieerde bebouwingsbeeld is kenmerkend voor deze gebieden. Het gebogen verloop van de straten en de gevarieerde bebouwing zijn bepalend voor de uitstraling en het karakter van de gemengde gebieden. Het welstandsbeleid is gericht op het handhaven van de basiskwaliteit van de gebieden waarbij de kwaliteit van de woonomgeving centraal dient te staan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPkromstraat4244-VA01_0009.png"
Uitsnede kaart gebiedsindeling Valkenswaard uit de welstandsnota met aanduiding plangebied

De volgende welstandscriteria zijn van belang voor de realisatie van de twee vrijstaande woningen:

  • De oorspronkelijke gevarieerde uitstraling van de straten met veelal gebogen verloop behouden;
  • Bij vervangende nieuwbouw is de positie en oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing richtinggevend;
  • Daar waar de omgeving (belending) het toelaat zijn verspringingen in de rooilijn wenselijk;
  • Bij renovatie of (vervangende) nieuwbouw is het van belang te streven naar zorgvuldige inpassing tussen de bestaande bebouwing en dient het bouwwerk zich te conformeren aan de bouwstijl en materialisering van de bebouwing in de omgeving;
  • Maximaal twee bouwlagen en een kap, waarbij de kaprichting ondergeschikt is;
  • Bakstenen in lichte of donkere kleuren. Deuren en kozijnen uitgevoerd in hout of goedgelijkende andere materialen, dakbedekking van donkere of rode dakpannen;
  • Tegengaan van het gebruik van sterk contrasterende kleuren met de omgeving zoals oranje, gifgroen of fel paars e.d..


Er is nog geen concreet bouwkundig ontwerp aanwezig. In deze toelichting is wel aangegeven waaraan beide woningen dienen te voldoen in vormgeving en beeldkwaliteit. Deze uitgangspunten voldoen aan de criteria uit de welstandsnota. Tevens zijn enkele van deze uitgangspunten vertaald in de regels van onderhavig bestemmingsplan.


Conclusie

Het initiatief voldoet aan de gemeentelijke welstandsnota. Het bouwplan zal te zijner tijd voorgelegd worden aan en beoordeeld worden door de welstandscommissie.


Beleidsnota Parkeernormering Gemeente Valkenswaard

Toetsingskader

Op 19 oktober 2008 heeft de gemeente Valkenswaard parkeerbeleid vastgesteld, waarin voor elke locatie binnen de gemeente helder is gemaakt welke parkeernormen van toepassing zijn. Doel van het stellen van een parkeernorm is het voorkomen of oplossen van parkeerproblemen aan het begin van de planvorming. Door het hanteren van de normen ontstaat inzicht in de parkeerbehoefte en kan op voorhand een ruimtelijk, economisch en verkeerskundig kader worden geschetst.


Beoordeling

Het plangebied is gelegen in deelgebied 'Rest bebouwde kom'. Binnen dit gebied geldt voor vrijstaande woningen een norm van 2,0 parkeerplaatsen per woning. Voor beide woningen geldt dat twee opstelplaatsen voor auto's op eigen erf gerealiseerd worden.


Conclusie

Er kan voldaan worden aan de parkeernormen uit de gemeentelijke beleidsnota.


Woonvisie gemeente Valkenswaard 2014-2020


Toetsingskader

Op 27 november 2014 is de 'Woonvisie gemeente Valkenswaard, Samen aan de slag met de woonopgaven, 2014 - 2020' vastgesteld door de gemeenteraad. In de woonvisie wordt kwantitatief en kwalitatief richting gegeven aan de toekomst van het wonen in Valkenswaard en worden ambities geformuleerd die we in de periode tot 2020 willen bereiken met een doorkijk naar het jaar 2030. De gemeente wil toekomstige ontwikkelingen kunnen blijven initiëren, voldoende woningbouwmogelijkheden hebben voor de eigen behoefte (incl. bijbehorend programma) en kunnen sturen op gewenste ontwikkelingen. De gemeente Valkenswaard stuurt op basis van de volgende kaders: het bieden van een woning en woonomgeving waar gezien demografische en maatschappelijke trends een vraag naar is én het daarop afstemmen van het aanbod als vastgelegd in de planvoorraad, bestaande uit zowel gemeentelijke als particuliere projecten of een combinatie van beide. Dit aanbod wordt vergeleken met de huidige voorraad. Om de kunnen sturen op de woningbouwopgave is in augustus 2013 door Fakton een analyse van de woningmarkt en de bouwopgave uitgevoerd.


Kwantitatieve en kwalitatieve woningvraag

Ten aanzien van de woningvraag wordt in de Fakton-analyse geconstateerd dat de gemeente Valkenswaard circa 13.800 huishoudens telt. Volgens de prognoses van het CBS groeit de gemeente tot en met 2020 met circa 920 huishoudens. De jaarlijks gemiddelde maximale opnamecapaciteit ligt daarmee op circa 115 nieuwbouwwoningen per jaar. In de jaren tot en met 2015 ligt het gemiddelde op zo'n 107 huishoudens; daarna groeit het aantal met 120 per jaar. Een woningbouwbehoefte van gemiddeld 115 toe te voegen woningen per jaar lijkt relatief ambitieus. Echter, geconstateerd wordt ook dat in de afgelopen jaren een deel van de vraag niet geëffectueerd werd als gevolg van de stringentere financieringseisen en het geringe consumentenvertrouwen. Verwacht wordt dat dit uitstel nog wel even voortduurt, maar dat er tegelijkertijd op korte termijn effectuering van vraag zal zijn die al vanaf 2009 is uitgesteld (de zogenaamde inhaalvraag). Zeker wanneer met goede producten ingespeeld wordt op de (latente) vraag.


Kwantitatief en kwalitatief woningaanbod

Voor de analyse van de projectenportefeuille zijn in de analyse de (financiële) inputgegevens van de gemeente Valkenswaard gehanteerd. Hierbij is uitgegaan van de projecten met een planningshorizon tot en met 2020. Projecten met minder dan 5 woningen bleven buiten beschouwing.


Woonopgaven

Op basis van een confrontatie tussen de woningvraag en het (potentiële) woningaanbod zijn voor het woonbeleid tien primaire woonopgaven geformuleerd. Dit betreft het creëren van mogelijkheden voor starters, inspelen op de vergrijzing, het richten van het woningbouwprogramma op integrale oplossingen, het regie voeren op de opgaven uit de woonvisie, de aanpak van probleemlocaties, het treffen van stimuleringsmaatregelen, het afstemmen van vraag en aanbod wonen en zorg, het transformeren en flexibiliseren van de bestaande voorraad, het faciliteren van leefomgevinggericht werken en duurzame wijken en het maken van prestatieafspraken met de woningcorporaties. In het licht van deze woonopgaven is in de Fakton-analyse een kwalitatieve beschouwing uitgevoerd van alle woningbouwprojecten. Deze beschouwing ziet toe op het beoordelen van projecten op basis van diverse criteria. Zodoende kunnen projecten worden geprioriteerd danwel gefaseerd. De criteria zijn: voldoen van een project aan het doelgroepenbeleid (starters, senioren, jonge gezinnen), strategische en maatschappelijke relevantie (bijdrage aan het invullen van 'lege plekken', mate van versterking van het centrum en de bijdrage aan de herstructureringsopgave) en flexibiliteit.


Beoordeling

Gelet op de omvang van het onderhavige plangebied is het initiatief aan de Kromstraat 42-44 niet meegenomen in de aanbodanalyse van Facton. Wel kunnen de criteria worden toegepast op het voorliggende plan. Ten aanzien van het doelgroepenbeleid kan worden aangegeven dat het initiatief het mogelijk maakt om woningen op te richten die geschikt zijn voor zowel senioren als jonge gezinnen. Ten aanzien van de maatschappelijke relevantie geldt dat het voorliggende bouwplan bijdraagt aan het invullen van een 'lege plek' in het dorpslint van de Kromstraat. Het invullen van deze plek levert een bijdrage aan een herstructureringsopgave, in het kader van het onderhavige initiatief is namelijk een oude vervallen boerderij geamoveerd. Het bestemmingsplan is flexibel van opzet, zodat optimaal kan worden ingespeeld op de vraag.


Conclusie

Het voorliggende plan voldoet aan de opgaven zoals die zijn geformuleerd in de woonvisie van de gemeente Valkenswaard.


Hoofdstuk 4 Bestaande situatie

Voor nader onderzoek naar de bestaande situatie is nagegaan welke ruimtelijke en functionele kwaliteit in het plangebied aanwezig is. Daarnaast is gekeken naar de aspecten die met de fysieke milieuwaarden samenhangen. Verder wordt in dit hoofdstuk de historische kwaliteit beschreven, waarbij archeologie en cultuurhistorie aan bod komen.

4.1 Bestaande ruimtelijke kwaliteit

De kern van Valkenswaard is, met ongeveer 20.000 inwoners, de grootste kern van de gelijknamige gemeente. De gemeente Valkenswaard is gelegen in het zuiden van de provincie Noord-Brabant, ten zuiden van Eindhoven. De gemeente grenst aan de zuidelijke zijde aan België.


Het plangebied is gelegen aan de Kromstraat. De Kromstraat is één van de bebouwingslinten van Valkenswaard, waar de overgang van het stedelijke naar het landelijke gebied herkenbaar is. Waar het begin van de Kromstraat deel uitmaakt van het centrumgebied is enkele honderden meters in zuidwestelijke richting het landelijke gebied al goed zichtbaar. Het betreft een halfopen bebouwingslint met individueel vormgegeven bebouwing. Het betreft veelal vrijstaande woningen, maar ook enkele twee-onder-één-kap woningen. Op enkele plaatsen wordt het lint onderbroken, zoals direct tegenover het plangebied, waar een weiland met daarachter een kas gesitueerd is. In de straat zijn enkele beeldbepalende langgevelboerderijen aanwezig, maar ook meer eigentijds vormgegeven bebouwing. Dit maakt de Kromstraat tot een divers bebouwingslint.


De rooilijn van naast elkaar gelegen panden varieert beperkt, waardoor er in de straat sprake is van een doorgaande rooilijn. Tussen enkele panden is echter een grote verspringing in de rooilijn aanwezig. De hoofdgebouwen zijn wisselend met de lange of de korte gevel richting de weg gesitueerd. De woningen hebben in het algemeen een traditionele dorpse uitstraling en zijn opgebouwd in één tot twee bouwlagen met een kap en een materialisering in baksteen. Invloeden uit verschillende bouwperiodes zijn zichtbaar, onder meer in vormgeving en kleurgebruik. Op enkele plaatsen is sprake van contrasterend kleurgebruik of een afwijkende vormgeving van de bouwmassa.


De Kromstraat is eenvoudig vormgegeven. Het profiel bestaat uit een rijbaan met aan één zijde een lage haag waarin bomen gesitueerd zijn. Achter deze haag ligt een smal voetpad. Er zijn geen hoogteverschillen aanwezig. Ten zuiden van het plangebied gaat het profiel over in een landelijke weg, zonder haag en trottoir.


Het plangebied zelf is volledig vrij van bebouwing en geheel onverhard. Vanaf de Kromstraat is er, vanwege het ontbreken van opgaande begroeiing, zicht is op de achtergelegen bebouwing.


afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPkromstraat4244-VA01_0010.png"

Zicht op het noordelijk deel van het plangebied en de aangrenzende gronden vanaf de Kromstraat

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPkromstraat4244-VA01_0011.png"

Zicht op het zuidelijk deel van het plangebied en de aangrenzende gronden vanaf de Kromstraat

4.2 Bestaande functionele kwaliteit

In functioneel opzicht is het plangebied gelegen in een bebouwingslint dat overwegend uit woningen bestaat. Nabij het plangebied zijn enkele bedrijven aanwezig die actief zijn in de landbouwsector of diensten verlenen aan de landbouwsector. Achter het bebouwingslint aan de Kromstraat zijn onbebouwde agrarische gronden aanwezig.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPkromstraat4244-VA01_0012.png"

Weergave straatprofiel Kromstraat ter plaatse van het plangebied. De (links op de foto) zichtbare bebouwing in het plangebied is niet meer aanwezig. Aan de linkerzijde van de straat is een haag en voetpad gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPkromstraat4244-VA01_0013.png"

Luchtfoto van het plangebied. Op de foto is de voormalige bebouwing zichtbaar (bron: PDOK viewer)

Het plangebied is volledig vrij van bebouwing en geheel onverhard. In het plangebied was een langgevelboerderij aanwezig met twee wooneenheden. Deze werd in 1931 gerealiseerd en is begin 2016 gesloopt. De boerderij was met de lange gevel evenwijdig aan de Kromstraat gesitueerd en opgebouwd in één bouwlaag met een mansardedak.


Het achtererf bestaat grotendeels uit gras. Aan de straatzijde zijn diverse bomen en hoog opgaande begroeiing aanwezig. Hierdoor is het plangebied beperkt zichtbaar vanaf de straat. Het perceel wordt aan de overige zijden met name begrensd door lage hagen en op enkele plaatsen zijn bomen gesitueerd.

4.3 Fysieke milieuwaarden

4.3.1 Water

Wettelijk toetsingskader

De laatste jaren dient in ruimtelijke plannen steeds meer aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. De integratie van water in ruimtelijke plannen wordt landelijk ondersteund. In de Startovereenkomst Waterbeleid 21e eeuw tussen rijk, provincies, Waterschappen en gemeenten (d.d. 14 februari 2001) is overeengekomen dat vanaf de ondertekening van deze overeenkomst op alle voor de waterhuishouding relevante nieuwe ruimtelijke plannen een zogenaamde watertoets uitgevoerd dient te worden. Concreet betekent de invoering van de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.6 lid 1, sub b Bro.


Beleid provincie Noord-Brabant

Op regionaal niveau is de provincie verantwoordelijk voor het beleidsveld water. Vigerend is het Provinciale Water- en Milieuplan 2016-2021. Het PWMP is de structuurvisie voor het aspect water op grond van de Wet ruimtelijke ordening. Het plan bevat de verplichte onderdelen vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water. Behalve dat het PWMP de uitgangspunten aangeeft voor het waterbeleid van waterschappen en gemeenten, toetst de provincie aan de hand van dit plan ook of de plannen van de waterschappen passen in het provinciale beleid. Als algemene uitgangspunten zijn onder andere te noemen de scheiding van relatief schone en vuile waterstromen en het benutten van mogelijkheden voor infiltratie en/of conservering van hemelwater.


Beleid Waterschap De Dommel

Het waterbeheerplan 2016 - 2021 'Waardevol Water' beschrijft de doelen van Waterschap De Dommel voor de periode 2016-2021. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Nationaal Waterplan, het Provinciaal Milieu en Waterplan en het Stroomgebiedsbeheerplan. Meer dan voorheen wil het waterschap inspelen op initiatieven van derden en kansen die zich voordoen in het gebied.


Ten aanzien van de doelen is een indeling gemaakt in de volgende waterthema's.

  • Droge voeten: voorkomen van wateroverlast in het beheergebied (onder meer door het aanleggen van waterbergingsgebieden en het op orde brengen van regionale keringen);
  • Voldoende water: zowel voor de natuur als de landbouw is het belangrijk dat er niet te veel en niet te weinig water is. Daarvoor reguleert het waterschap het grond- en oppervlaktewater;
  • Natuurlijk water: zorgen voor flora en fauna in en rond beken en sloten door deze waterlopen goed in te richten en te beheren;
  • Schoon water: zuiveren van afvalwater en vervuiling van oppervlaktewater aanpakken en voorkomen;
  • Mooi water: stimuleren dat mensen de waarde van water beleven, door onder meer recreatief gebruik.


Het waterschap staat voor een aantal complexe uitdagingen, die zij in veel gevallen niet alleen kan realiseren. Deze uitdagingen geven invulling aan de verbinding van water met de maatschappelijke ontwikkelingen. Daarom zet het waterschap sterk in op samenwerking. In dit Waterbeheerplan nodigt het waterschap waterpartners, stakeholders, boeren, burgers en bedrijven nadrukkelijk uit om gezamenlijk te werken aan slimme, innovatieve oplossingen voor de complexe wateropgaven. Dit betekent onder meer dat het waterschap de bestaande samenwerking met al de partners in het gebied wil uitbouwen en 'grenzeloos' organiseren vanuit de kracht van ieders rol en verantwoordelijkheid.


Wat zijn de belangrijkste uitdagingen voor de komende planperiode?

  • Voldoende water voor landbouw en natuur
  • Wateroverlast en hittestress
  • Kringloop denken
  • Steeds meer ongewenste stoffen in het water, zoals medicijnen
  • Vergroten waterbewustzijn


Keur Waterschap De Dommel

De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben in de Noord-Brabantse Waterschapsbond (NBWB) besloten om de keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren. Hierbij is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen. Er is conform het nieuwe landelijke model een sterk gedereguleerde keur opgesteld, met bijbehorende algemene regels en beleidsregels. Deze zijn voor de drie waterschappen gelijkluidend. De nieuwe uniforme keuren zijn gezamenlijk in werking getreden op 1 maart 2015. In de nieuwe keur is opgenomen dat het is in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing, tenzij:

  • a. het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of;
  • b. de toename van verhard oppervlak maximaal 2.000 m² is, of;
  • c. de toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak.
  • d. de toename van verhard oppervlak tussen 2.000 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel:


Benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x Gevoeligheidsfactor x 0,06


Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften:

  • a. de bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen;
  • b. de afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben;
  • c. daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen.


Bij ontwikkelingen waarbij de toename van het verhard oppervlak 2.000 m² of groter is wordt er door het waterschap retentie geëist. Uitbreidingen van verhard oppervlak tussen de 2000 m² en 10.000 m² dienen te voldoen aan de Algemene Regels van waterschap De Dommel. Voor uitbreidingen groter dan 10.000 m² geldt sowieso een vergunningplicht. Voor het afkoppelen van verhard oppervlak < 10.000 m² wordt er vanuit het waterschap geen retentie geëist.


Beoordeling

Onderhavig initiatief betreft de bouw van twee vrijstaande woningen. Voorheen was binnen het plangebied circa 300 m² aan bebouwing aanwezig en enkele verhardingen. In de nieuwe situatie geldt dat circa 25% van het kaveloppervlak verhard (incl. bebouwing) wordt. Met een kaveloppervlakte van circa 4.000 m² voor beide kavels betekent dit een verhard oppervlak van circa 1.000 m². De (maximaal mogelijke) erfverharding wordt niet in zijn geheel meegenomen in de berekening, omdat hemelwater afkomstig van deze erfverharding middels afschot afvloeit naar omliggende gronden. In de berekening is daarom uitsluitend uitgegaan van oppervlakteverharding met een puntlozing.


Deze toename van het verharde oppervlak is dermate gering dat het in het kader van de Keur 2015 vrijgesteld is van een bergings- en infiltratievoorziening. Derhalve wordt voldaan aan het beleid van Waterschap de Dommel.


Als uitgangspunt geldt verder dat er bij het bouwen van de woningen geen uitloogbare materialen (bijvoorbeeld zinken dakgoten, lood, etc.) worden gebruikt die mogelijk de waterkwaliteit negatief kunnen beïnvloeden. Dit is conform het advies van de Dubo-richtlijn (Duurzaam Bouwen). In het Lozingenbesluit Bodembescherming staat dat niet-verontreinigd hemelwater in principe in de bodem geïnfiltreerd kan worden of afgevoerd kan worden naar het oppervlaktewater, ook als dat in contact is geweest met oppervlakken zoals daken. Het hemelwater en huishoudelijk afvalwater wordt gescheiden aangeboden aan de perceelsgrens en vervolgens aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering.


Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het aspect water geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling.

4.3.2 Bodem

Toetsingskader

Het landelijk beleid gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. Met andere woorden, de bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem. De gewenste functie bepaalt als het ware de gewenste bodemkwaliteit. Voor alle bestemmingen waar een functiewijziging of herinrichting wordt voorzien, dient de bodemkwaliteit door middel van een bodemonderzoek in beeld te worden gebracht. Indien op grond van historische informatie blijkt dat in het verleden bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden, dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Op basis van de onderzoeksresultaten kan vervolgens worden nagegaan of er vervolgmaatregelen getroffen moeten worden, zoals een nader onderzoek of eventueel een (functiegerichte) sanering.


Beoordeling

Door Econsultancy is in februari 2010 een bodemonderzoek uitgevoerd in het kader van de Zinkassenverwijderingsstructuur (Zivest) in Valkenswaard. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 1. In de Kempen is in de vorige eeuw een omvangrijke bodemverontreiniging ontstaan als gevolg van de activiteiten van de voormalige zinkertsverwerkende industrie. Hierbij kwamen onder andere aanzienlijke hoeveelheden zinkassen vrij die in een groot gebied zijn verspreid door toepassing als funderingsmateriaal voor wegen en erven. De zinkassen vormen een bron van verspreiding van metalen, zoals cadmium, koper, zink, lood en arseen naar de omliggende bodem en het grondwater. Als gevolg van blootstelling aan zinkassen en aan verontreinigde grond en grondwater kunnen zinksassen leiden tot gezondheidsrisico's voor mens en dier. De opzet van het bodemonderzoek is gebaseerd op het protocol bodemonderzoek Zivest/zinkkassenerven.


Uit het bodemonderzoek blijkt dat, gezien de analytisch aangetoonde zinkgehalten in de zintuiglijk met sintels verontreinigde grond, alsmede de conclusies van het historisch onderzoek, de zintuiglijk aangetroffen sintels gekwalificeerd kunnen worden als zinkassen. Er is deels sprake van een aaneengesloten zinkassenlaag. De zintuiglijk waargenomen zinkassen zijn tevens aangetroffen als bijmenging in de grond tot maximaal 0,9 meter onder maaiveld. Vanuit deze laag is onder meer door uitloging, verspreiding via wind en/of erosie een verontreiniging met zware metalen in de grond ontstaan. Als gevolg hiervan en van de (voormalige) aanwezigheid van zinkassen zijn sterk verhoogde gehalten zware metalen (met name koper, lood en zink) in de bovengrond aangetoond. In de bovengrond zijn plaatselijk tevens licht verhoogde gehalten arseen en cadmium aangetoond. In de grond buiten het door zinkassen beïnvloede terrein zijn plaatselijk licht tot sterk verhoogde gehalten cadmium, koper, lood, zink, minerale olie en PAK aanwezig.


De omvang van de verontreiniging met zware metalen in de grond binnen de perceelsgrenzen is afdoende afgeperkt. Zowel in horizontale als in verticale richting is de verontreiniging met zware metalen ingekaderd tot aan de terugsaneerwaarde voor de functie Wonen met moestuin (MT-waarde). In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties zink, benzeen en xyleen aangetoond. De omvang van de verontreiniging met zink in het grondwater is in het kader van dit bodemonderzoek niet vastgesteld. Gezien de mate en omvang van de verontreiniging (430 m³ grond verontreinigd met gehalten gemiddeld boven de interventiewaarde) is er sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Er is tenslotte sprake van het voorkomen van asbestverdachte materialen op het maaiveld en/of in de grond. Hierbij kan niet worden uitgesloten dat op sommige plekken dit asbestverdachte materiaal vermengd is met de bodem. De aanwezigheid van asbestverdacht materiaal in de grond (tot maximaal 0,1 meter onder maaiveld) wordt echter niet als een grondverontreiniging beschouwd.


Op basis van deze conclusies is aanbevolen om de onderzoekslocatie of delen ervan die als tuin in gebruik zijn door middel van ontgraving van verontreinigde grond te saneren. De MT-waarden gelden hierbij als minimaal te behalen kwaliteitsniveau. Daarnaast dient het grondwater gezien de ligging van de onderzoekslocatie binnen De Kempen niet gebruikt te worden als drinkwater, voor veedrenking en/of als sproeiwater.


Door ABO-Milieuconsult B.V. is de milieukundige begeleiding en eindverificatie uitgevoerd van de bodemsanering in verband met een verontreiniging met zware metalen in de grond van het plangebied. Hiervan is eveneens informatie opgenomen in bijlage 1. Doel van het evaluatierapport is het vanuit milieukundig oogpunt beschrijven van de uitgevoerde saneringswerkzaamheden, het vastleggen van het bereikte resultaat en het toetsen van de vooraf gestelde doelstellingen. Uit de toetsing van het saneringsresultaat blijkt dat de doelstelling van de sanering zoveel als mogelijk is bereikt. De verontreiniging is binnen de in de BUS-melding gestelde saneringslocatie verwijderd tot het niveau van de bodemgebruikswaarden 'wonen met siertuin', met uitzondering van de hoofdtransport waterleiding in de oprit en op twee aanvullende plaatsen. De totale restverontreiniging wordt geschat op 43 m³ verontreinigde grond.


Aan de zuid- en noordoostzijde zijn op de perceelsgrens verhoogde gehalten aan zware metalen aangetoond in de wandmonsters. Hier is tot op de perceelsgrens ontgraven. Op basis van het evaluatierapport heeft de provincie Noord-Brabant een beschikking verleend. In het kader van het Besluit Uniforme Saneringen (BUS) heeft de provincie ingestemd met de uitgevoerde sanering


Gelet op de aard en datum van uitvoering van de voorgaande onderzoeken is in juli 2016 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. Het onderzoek, uitgevoerd door Econsultancy, is bijgesloten in bijlage 4. Uit het onderzoek is gebleken dat de bodem voornamelijk bestaat uit zwak humeus, zwak tot sterk siltig, zeer fijn tot matig fijn zand. De ondergrond bestaat uit matig tot sterk siltig, zeer fijn tot matig fijn zand en is plaatselijk zwak humeus. De ondergrond is plaatselijk zwak gleyhoudend. De bovengrond is plaatselijk zwak kolengruishoudend, zwak grindhoudend, zwak baksteenhoudend en zwak puinhoudend. Verder zijn er zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. Er zijn tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden, die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten.


De bovengrond is plaatselijk licht verontreinigd met cadmium, kwik en/of zink. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen geconstateerd. Het grondwater is licht verontreinigd met barium. Deze metaalverontreinigingen is hoogstwaarschijnlijk te relateren aan regionaal verhoogde achtergrondconcentraties van metalen in het grondwater. Gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bovengrond géén belemmeringen voor de realisatie van woningen.


Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem goed is en geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

4.3.3 Flora en fauna

Toetsingskader

De natuurbescherming in Nederland valt uiteen in twee verschillende aspecten: gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebieden kunnen beschermd zijn doordat ze zijn opgenomen in de Natuurbeschermingswet 1998. Vanaf begin oktober 2005 zijn hierin ook alle Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijn-gebieden opgenomen als Natura 2000-gebieden. Activiteiten die van invloed kunnen zijn op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied moeten door Gedeputeerde Staten beoordeeld worden alvorens een vergunning voor de activiteit kan worden verleend. Dit geldt dus ook voor activiteiten die plaatsvinden buiten de beschermde gebieden. Van deze activiteiten moet worden bepaald of er sprake is van externe werking of cumulatie. Bij een vergunningsaanvraag is een zogenaamde passende beoordeling of een verstorings- of verslechteringstoets gewenst. Daarnaast kunnen gebieden zijn opgenomen in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS).


Ten aanzien van de bescherming van soorten worden een aantal zeldzame en/of kwetsbare plant- en diersoorten door de Flora- en faunawet beschermd. De doelstelling van de wet is de bescherming en het behoud van de gunstige staat van instandhouding van de in het wild levende planten- en diersoorten. Het uitgangspunt van de wet is 'nee, tenzij'. Dit betekent dat activiteiten met een schadelijk effect op beschermde soorten in principe verboden zijn. Van het verbod op schadelijke handelingen ('nee') kan onder voorwaarden ('tenzij') worden afgeweken, met een ontheffing of vrijstelling. Het verlenen hiervan is de bevoegdheid van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I).


Beoordeling

Het plangebied is in gebruik als grasland (onbeweid) en heeft altijd een agrarische functie gehad met op het zuidelijke deel voorheen een boerderij met twee woningen. De locatie is thans onbebouwd en onverhard. De noord-, oost- en westgrenzen van het gebied verlopen door het grasland. Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. Hieronder wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden beschreven welke beschermde soorten binnen de bouwlocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen, foerageergebied en verbindingroutes. Indien van toepassing wordt tevens beoordeeld of de voorgenomen plannen een verstorend effect kunnen hebben op de betreffende (mogelijk) aanwezige beschermde soort.


Broedvogels

Wegens het ontbreken van bebouwing biedt de onderzoekslocatie geen nestgelegenheid aan soorten als de huismus en de gierzwaluw. De nabij de bouwlocatie aanwezige bomen zijn gecontroleerd op jaarrond beschermde nesten van broedvogels als sperwer en ransuil; deze zijn niet aangetroffen. Op en langs de bouwlocatie zijn geen nestmogelijkheden voor de steenuil aanwezig. Daarbij vormt het onbeweide grasland binnen het plangebied ook geen optimaal foerageergebied voor de steenuil. De voorgenomen plannen zullen dan ook geen indirect verstorend effect hebben op een eventueel in de omgeving aanwezige nestlocatie van de steenuil. Afhankelijk van de toekomstige inrichting is het zelfs mogelijk dat de onderzoeklocatie in de toekomstige situatie meer foerageermogelijkheden biedt dan in de huidige situatie het geval. Verder zijn er geen aanwijzingen die er op duiden dat de onderzoekslocatie een (belangrijke) functie heeft of kan hebben voor andere vogelsoorten waarvan het nest conform beschermingscategorie 1 t/m 4 jaarrond is beschermd, zoals de kerkuil. De broedvogels die onder de beschermingscategorie 5 vallen zijn voornamelijk holenbroeders of soorten met relatief grote nesten. Mede wegens het ontbreken van bebouwing en (holte)bomen op de onderzoekslocatie zelf zijn broedgevallen van soorten uit beschermingscategorie 5 hier uitgesloten. Het plangebied zelf biedt door de afwezigheid van bebouwing en beplanting tevens geen nest-gelegenheid aan vogelsoorten als merel, heggenmus, winterkoning, roodborst, groenling, vink en houtduif. Ook de aanwezigheid van weidevogels als kievit en scholekster is wegens de kleinschaligheid en de nabije aanwezigheid van hoge bomen redelijkerwijs uitgesloten. In aanwezig struweel en kleinschalige beplanting op het perceel kunnen wel algemene vogelsoorten als merel, heggenmus, winterkoning en roodborst tot broedden komen. Bij het opschonen of verwijderen van struweel en beplantingen kunnen gedurende het broedseizoen (maart - augustus) nesten van dergelijke soorten worden verstoord.


Vleermuizen

Het plangebied is geheel onbebouwd en er zijn geen bomen aanwezig. Hierdoor kan worden uitgesloten dat er verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn in het plangebied zelf. De bomen in de nabijheid van het plangebied beschikken niet over potentiële verblijfplaatsen voor vleermuizen, zoals holtes, spleten en/of loshangend schors, die zich op voldoende hoogte bevinden. Daarbij blijven de betreffende bomen behouden. Het is door de afstand tot de bebouwing in de omgeving uitgesloten dat er in de directe invloedssfeer van de onderzoekslocatie potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn die negatieve invloed kunnen ondervinden van de werkzaamheden. Het plangebied zal, mede gelet op de beperkte oppervlakte, geen essentieel foerageerhabitat vormen voor een vleermuizensoort. Naar verwachting zullen er wel enkele gewone dwergvleermuizen en mogelijk een enkele laatvlieger ter plaatse van de onderzoekslocatie foerageren, met name nabij de bomen. Naast dat in de directe omgeving voldoende foerageerhabitat aanwezig is, blijven de foerageermogelijkheden binnen het plangebied ter hoogte van de bomen eveneens behouden. Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Doordat dergelijke lijnvormige elementen ontbreken binnen het plangebied, worden er geen potentiële vliegroutes verstoord.


Overige zoogdieren

Het plangebied vormt een weinig geschikt habitat voor grondgebonden zoogdieren. Algemene soorten als egel, mol, konijn en haas kunnen ter plaatse van het grasland worden aangetroffen. Een soort als de egel kan zich daarnaast verschuilen onder aanwezig struweel. Mogelijk dat bij het eventueel opschonen van de perceelranden een dergelijke schuilplaats verloren gaat.


Reptielen, amfibieën, vissen en ongewervelden

Binnen het plangebied is geen geschikt habitat voor reptielen aanwezig. Daarbij is er geen directe verbinding tussen de onderzoekslocatie en een betreffende natuurgebied. Doordat wateroppervlakten als poelen, sloten en vijvers ontbreken zijn voortplantingsmogelijkheden voor amfibieën uitgesloten. Incidenteel kunnen algemene soorten als bruine kikker en gewone pad wel beschutting vinden onder het struweel. Sloten en vijvers in de omgeving bieden voortplantingmogelijkheden aan dergelijke algemene soorten. Minder algemene soorten als kamsalamander, heikikker en poelkikker, zijn mede vanwege het ontbreken van geschikt voortplantingswater in de directe omgeving en overwinteringshabitat op de locatie, redelijkerwijs uitgesloten. Vanwege het ontbreken van permanent oppervlaktewater kan de soort-groep vissen buiten beschouwing worden gelaten. Ten aanzien van ongewervelden geldt dat niet aannemelijk is dat beschermde soorten ongewervelden in het plangebied leefgebied vinden, aangezien deze soorten specifieke habitateisen hebben en het plangebied hier niet aan voldoet.


Vaatplanten

De aanwezigheid van water, de zuurgraad van de bodem, de beschikbare hoeveelheid voedingsstoffen, de hoeveelheid zonlicht en de antropogene beïnvloeding bepalen in hoeverre een groeiplaats voor een bepaalde plant geschikt is. Aangezien de locatie geheel bestaat uit grasland met algemene ruigtevegetatie, is het niet te verwachten dat er beschermde of zeldzame plantensoorten binnen het plangebied te vinden zijn.


Beschermde gebieden

De onderzoeklocatie is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied of Beschermd Natuurmonument. Het meest nabijgelegen onderdeel van een conform de Natuurbeschermingswet 1998 beschermd gebied bevindt zich op ruim 600 meter afstand ten westen van het plangebied. Het betreft in dit geval de beek De Dommel. Deze beek en het bijbehorende beekdal zijn eveneens gelegen in de ecologische hoofdstructuur. Externe effecten als gevolg van de voorgenomen plannen binnen het plangebied zijn, gezien de afstand tot het meest nabijgelegen onderdeel van een conform de Natuurbeschermingswet 1998 beschermd gebied in combinatie met de aard van de plannen (bouw van 2 woningen) niet te verwachten. Vervolgonderzoek in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 wordt niet noodzakelijk geacht.


Conclusie

Gelet op de gevonden en te verwachten ecologische waarden en de beoogde planontwikkeling is de verwachting dat de wijziging van het bestemmingsplan uitvoerbaar is. Tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden dient het bepaalde in de Flora- en faunawet in acht te worden genomen, hetgeen in dit geval goed mogelijk is. Overtredingen ten aanzien van broedvogels kunnen worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen. Verder dient te allen tijde de zorgplicht in acht te worden genomen.

4.3.4 Wegverkeerslawaai

Toetsingskader

Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan als bedoelt in art. 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor:

  • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh - het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012);
  • de aanleg van een nieuwe weg en/of een reconstructie van een bestaande weg;
  • functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid).


De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen.


Beoordeling

Ten aanzien van het aspect akoestiek geldt dat voor de Kromstraat een snelheidsregime van 30 km/u geldt. Deze wegen kennen op basis van de Wet geluidhinder geen onderzoekszone. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek is uit dat oogpunt niet noodzakelijk. In het kader van 'een goede ruimtelijke ordening' kan het noodzakelijk zijn om de geluidsbelasting inzichtelijk te maken, bijvoorbeeld in situaties waarbij op een weg hoge verkeersintensiteiten aanwezig zijn. De Kromstraat is een doodlopende weg en heeft daardoor beperkt verkeer. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek is ook hierdoor niet benodigd.


Conclusie

Het aspect wegverkeerslawaai belemmert de voorgenomen ontwikkeling niet.

4.3.5 Luchtkwaliteit

Toetsingskader

In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de Wet luchtkwaliteit in beeld te worden gebracht. Op 15 november 2007 is de 'Wet luchtkwaliteit' (Wlk) in werking getreden. Met de Wlk wordt de wijziging van de Wet milieubeheer op het gebied van luchtkwaliteitseisen (Hoofdstuk 5 titel 2 Wm, Stb. 2007, 414) bedoeld. In de Wlk zijn luchtkwaliteiteisen opgenomen voor luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Met name de stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) worden beleidsmatig relevant geacht. Het luchtkwaliteitonderzoek beperkt zich dan ook tot deze twee stoffen.


Een bestemmingsplan kan worden vastgesteld indien aannemelijk kan worden gemaakt dat:

  • door de vaststelling (van het besluit), al dan niet in combinatie met maatregelen, de luchtkwaliteit niet in betekenende mate verslechtert (maximaal 1,2 ?g/m³) (Wm artikel 5.16.1.c), ofwel dat;
  • de luchtkwaliteit door de vaststelling (van het besluit), al dan niet in combinatie met de maatregelen, per saldo verbetert of tenminste gelijk blijft (Wm artikel 5.16.1.b.1°), ofwel dat;
  • bij een beperkte verslechtering van de luchtkwaliteit vanwege de vaststelling (van het besluit), de luchtkwaliteit in een gebied rondom de inrichting per saldo verbetert (Wm artikel 5.16.1.b.2°). De verbetering en verslechtering zullen beide moeten gelden voor overschrijdingssituaties en dienen te worden betrokken op de concentraties van NO2 en/of PM10, ofwel dat;
  • er geen grenswaarden worden overschreden.


In het Besluit 'Niet in betekenende mate bijdragen' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling 'Niet in betekenende mate bijdragen' (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Hierin is bepaald dat de concentratiebijdragen NO2 en PM10 als NIBM mogen worden beschouwd wanneer deze het jaargemiddeld maximaal 1,2 ?g/m³ bedragen. Wanneer hiervan sprake is, wordt voldaan aan artikel 5.16 eerste lid, onder c van de Wm en kan een uitgebreid luchtonderzoek achterwege blijven.


De Regeling NIBM geeft voor een aantal categorieën van projecten een (getalsmatige) invulling aan de NIBM-grens. Het gaat om woningbouw- en kantoorprojecten en enkele soorten van inrichtingen (bijv. emplacementen, kassen en andere landbouwinrichtingen). De ondergrens van NIBM betreft de realisatie van 1500 woningen en één ontsluitingsweg.


Beoordeling

De realisatie van twee woningen heeft geen significante verkeersaantrekkende werking. De ondergrens van NIBM betreft de realisatie van 1500 woningen en één ontsluitingsweg. Deze grens wordt niet gehaald, waardoor de ontwikkeling als NIBM is aan te merken.


Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de onderhavige wijziging.

4.3.6 Milieuhygiënische aspecten bedrijven

Toetsingskader

Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige gebieden zoals woonwijken. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' van de VNG uit 2009. Bedrijven zijn hierin opgenomen in een tabel, die is ingedeeld in milieucategorieën, waarbij per bedrijf is aangegeven wat de afstand tot een rustige woonwijk dient te zijn (de zogenaamde afstandentabel). Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. Er kan (enigszins) van afgeweken worden in situaties waarin geen sprake is van een rustige woonwijk of bij afwijkende bedrijven. In het algemeen wordt door middel van het aanbrengen van een zonering tussen bedrijvigheid en woonbebouwing de overlast ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden.


Beoordeling

Door Wematech is in december 2013 een onderzoek naar milieuzonering uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 2. Doel van het onderzoek is te bepalen of het plangebied binnen een afstand van de bedrijven is gelegen, waarbinnen hinder verwacht kan worden. De volgende drie bedrijven zijn in de omgeving van het plangebied aanwezig:

  • Gebroeders Roes Valkenswaard B.V., Kromstraat 48;
  • Gijsbers Tuinbouw B.V. Kromstraat 55;
  • VHC Handbal, Amundsenhal, Amundsenstraat 1.


Op basis van de VNG-publicatie zijn deze bedrijven ten hoogste gecategoriseerd als milieucategorie 3.1. Uitgaande van het omgevingstype 'rustige woonwijk' blijkt dat de grootste afstand waarbinnen mogelijke hinder kan ontstaan 50 meter bedraagt


Het bedrijf Gebroeders Roes Valkenswaard B.V. betreft dienstverlening ten behoeve van de landbouw met een maximale richtafstand van 50 meter voor geluid. Voor de bedrijfsvoering is sprake van een overlapping van de richtafstand voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. Wat betreft geur vinden binnen de bedrijfsvoering geen geurrelevante activiteiten plaats, waardoor geen geurhinder te verwachten valt. Voor stof geldt dat de woningen in het plangebied ten oosten van de opslaglocaties gesitueerd zijn en worden afgeschermd door de stalling en deels door de schuur bij het woonhuis. Hierdoor wordt geen stofhinder verwacht.


Wat betreft geluid zijn de volgende onderzoeksresultaten van belang:

  • Het wassen van voertuigen en het op- en overslaan van materialen vindt plaats achter de stalling t.b.v. het materieel, waardoor als gevolg van deze activiteiten geen geluidhinder kan ontstaan ter plaatse van de nieuwe woningen;
  • Als gevolg van verkeersbewegingen op het terrein wordt geen geluidhinder verwacht bij de nieuwe woningen;
  • Wat betreft het aftanken van voertuigen wordt eveneens geen geluidhinder verwacht in het plangebied.


Vanuit gevaar zijn de opslag van gewasbeschermingsmiddelen en gasflessen van belang. De daadwerkelijke afstand tussen de gewasbeschermingsmiddelen en de nieuwe woningen bedraagt ruim 50 meter. De opslag van gasflessen vindt nabij de schuur plaats op een afstand van circa 20 meter van de nieuwe woningen. Er kan geconcludeerd worden dat geen relevant gevaar verwacht mag worden ter plaatse van de nieuwe woningen.


Op basis van het bovenstaande kan voor de richtafstanden van geur, stof, geluid en gevaar gemotiveerd afgeweken worden. Als gevolg van deze aspecten wordt geen hinder verwacht ter plaatse van de bouwvlakken van de woningen in het plangebied. Anderzijds blijkt dat het bedrijf niet belemmerd wordt in haar huidige bedrijfsvoering als gevolg van de realisatie van de woningen gezien reeds op zeer korte afstand (minder dan 5 meter) van de in- en uitrit een woning van derden is gesitueerd.


Voor Gijsbers Tuinbouw B.V. is geen sprake van een overlap van de aan te houden richtafstanden voor geur, stof en gevaar met de te realiseren woningen binnen het plangebied. De nieuwe woningen zijn op ruime afstand van het bedrijf gesitueerd, terwijl op een afstand van circa 5 meter een woning van derden is gesitueerd. Hieruit kan geconcludeerd worden dat ter plaatse van het plangebied een geluidbelasting < 45 dB(A) verwacht mag worden als gevolg van het bedrijf, hetgeen overeenkomt met een goed tot zeer goed woon- en leefklimaat. Vanuit dit bedrijf mag derhalve geen geluidhinder verwacht worden ter plaatse van het plangebied. Tevens wordt het bedrijf niet belemmerd in haar huidige bedrijfsvoering als gevolg van de realisatie van de woningen.

Tenslotte is vanuit de Amundsenhal geen sprake van een overlap van de aan te houden richtafstanden voor geur, stof en gevaar met het plangebied. Derhalve valt hinder als gevolg van deze functie niet te verwachten. Uit een nadere beschouwing van geluid is gebleken dat de nieuwe woningen ruimschoots buiten de richtafstand voor geluid zijn gelegen. Tevens zijn op korte afstand woningen van derden gesitueerd.


Conclusie

Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van het plangebied een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd als het gaat om bedrijven en milieuzonering. Het planvoornemen zorgt tevens niet voor een belemmering van de bedrijfsactiviteiten van omliggende bedrijven nabij het plangebied.

4.3.7 Externe veiligheid

Algemeen

In het kader van de bestemmingsplanprocedure moet het aspect externe veiligheid onderzocht worden. Hierbij dienen de risico's in beeld gebracht te worden die het gevolg zijn van opslag, vervoer of verwerking van gevaarlijke stoffen. Risicobronnen zijn bijvoorbeeld vervoersassen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, buisleidingen en risicovolle inrichtingen.


Externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans.


Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven in de vorm van contouren rond een risicobron. Het groepsrisico wordt weergegeven in een grafiek: de fN-curve. Deze curve geeft aan hoe groot de kans is op een ongeval met een bepaald aantal slachtoffers. De plaatsgebonden risicocontouren en de fN-curve zijn weergegeven in onderstaande afbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPkromstraat4244-VA01_0014.png"

Plaatsgebonden risicocontouren en fN-curve

Binnen de plaatsgebonden risicocontouren bestaat een bepaald risico te overlijden als gevolg van een calamiteit. Binnen deze contouren gelden harde bouwrestricties. Deze restricties kunnen per risicobron verschillen.


De hoogte van het groepsrisico wordt niet alleen bepaald door de aard van de risicobron, maar ook door het aantal aanwezige personen binnen het invloedsgebied daarvan. Bij veel ruimtelijke besluiten moet de hoogte van dit groepsrisico verantwoord worden. Dit noemt men de verantwoordingsplicht van het groepsrisico.


Besluit externe veiligheid

Toetsingskader

Sinds 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van kracht. Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege activiteiten met gevaarlijke stoffen. Het Bevi is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. Het Bevi is van toepassing op vergunningsplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven en wat wordt verstaan onder (beperkt) kwetsbare objecten.


Uit het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's in het projectgebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico's dienen te worden beoordeeld op het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.


Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet een verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico moeten andere aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPkromstraat4244-VA01_0015.png"

Uitsnede risicokaart externe veiligheid

Beoordeling

Op de provinciale risicokaart staan de risico's die bij een ongeval mogelijk meerdere slachtoffers maken. Op de kaart is te zien of er gebouwen in een risicocontour staan. Ook zijn locaties aangegeven waarin zich veel mensen bevinden die bij een ramp hulp nodig hebben. Onderstaand is een uitsnede van de risicokaart voor het plangebied afgebeeld.


Risicovolle inrichtingen

In de omgeving van de Kromstraat 42 - 44 zijn géén risicovolle inrichtingen gelegen. De dichtstbijzijnde inrichting is het Avia tankstation aan de Dragonder 2 op ca. 1200 meter afstand. De doorzet van het lpg-station is beperkt tot minder dan 999 m³ per jaar. Ingevolge de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) gelden voor lpg-tankstations met deze doorzet de volgende plaatsgebonden risicocontouren (PR 10-6 contouren):

  • 45 meter vanaf het vulpunt;
  • 25 meter vanaf het ondergronds reservoir;
  • 15 meter vanaf de afleverzuil.


Voorliggend bestemmingsplan maakt geen ontwikkelingen mogelijk binnen de zone van het tankstation.


Transport gevaarlijke stoffen

Nabij het plangebied ligt één route voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, namelijk de N69. Gelet op de afstand van de weg tot aan het plangebied, circa 250 meter, zijn er geen belemmeringen voor de planontwikkeling.


Buisleidingen

Op een afstand van 1260 meter ten zuiden van het plangebied ligt een K1-leiding van Petrochemical Pipeline Services. Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden, waarin het risicobeleid voor buisleidingen is opgenomen.


De leiding heeft volgens informatie afkomstig van de risicokaart een plaatsgebonden risicocontour 10-6 van 12 meter. Binnen deze zone worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt.


Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan.

4.3.8 Kabels en leidingen

Toetsingskader

De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer. 1)

  • a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger;
  • b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar;
  • c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar;
  • d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom;
  • e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken 2)  
  • 1.
  • 1. 'Leidingen die deel uitmaken van een inrichting' zijn leidingen binnen de inrichtingsgrens die in beheer zijn van de drijver van de inrichting én leidingen die in beheer zijn van derden waarmee een product wordt geleverd aan de betreffende inrichting (Laatgenoemde leidingen hebben een zgn. functionele binding met de inrichting, zoals bedoeld in de Wet milieubeheer).
  • 2. Onder zgn. 'leidingen voor andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten' worden in ieder geval leidingen verstaan voor transport van nafta, waterstof, koolstofdioxide, stikstof, zuurstof, ethyleen en propyleen.


Beoordeling

Ter plaatse van het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Indien nodig zal in een later stadium van onderhavig project een KLIC-melding worden uitgevoerd.


Conclusie

Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen.

4.3.9 Besluit m.e.r.

Toetsingskader

Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan het Besluit m.e.r. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 - Commissie vs. Nederland). Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen me.r.- (beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een MER nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een MER nodig.


Beoordeling noodzakelijkheid m.e.r.-beoordeling

Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is dient bepaald te worden of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r. overschrijdt, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn.


In het plangebied wordt de bouw van twee vrijstaande woningen in het bestaand stedelijk gebied van Valkenswaard mogelijk gemaakt. De ontwikkeling dient getoetst te worden aan activiteit D 11.2 uit de Bijlage bij het Besluit m.e.r. Deze activiteit betreft een stedelijk ontwikkelingsproject. In het geval van een stedelijk ontwikkelingsproject is direct een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk als de activiteit gaat om de bouw van 2.000 woningen of meer in een aaneengesloten gebied of als de activiteit een omvang heeft van 100 hectare. Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling ver beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r..


In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Uit het onderhavige hoofdstuk, waaraan de resultaten van de toetsing juncto art. 3.1.6 Bro worden weergegeven, blijkt dat het plangebied niet ligt in of nabij een gebied dat beschermd wordt ten gevolge van de natuurwaarden. Het ontwikkelingsgerichte deel van plan ligt niet in de directe nabijheid van de Ecologische Hoofdstructuur, een Vogel- of Habitatrichtlijngebied en overig beschermd natuurgebied (Natura 2000). Op basis van de in het kader van het onderhavige plan beschouwde aspecten blijkt dat van externe werking op een Natura 2000 gebied geen sprake kan zijn. Het plangebied behoort niet tot een waterwinlocatie, waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. In het plangebied is eveneens geen Rijksmonument gelegen. Het plangebied is niet gelegen in een Bèlvéderegebied. In dit hoofdstuk zijn tevens de verschillende milieueffecten beschouwd, zoals geluid en luchtkwaliteit. Hieruit blijkt dat er door de ontwikkeling inderdaad geen sprake zal zijn van nadelige milieugevolgen.


Conclusie

Er zijn geen 'belangrijke nadelige milieugevolgen' te verwachten en daarom is het niet noodzakelijk een m.e.r.-beoordeling uit te voeren.

4.4 Historische kwaliteit

4.4.1 Archeologie

Toetsingskader

In Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Sinds 2007 kent Nederland de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz, gewijzigde Monumentenwet 1988). Op basis van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Om invulling te geven aan deze gemeentelijke zorgtaak heeft de gemeente de archeologische waarden en verwachtingen binnen de gemeente inzichtelijk gemaakt. Verder stelt de Wamz 2007 dat gemeenten archeologieparagrafen moeten opnemen in bestemmingsplannen en archeologische waarden en verwachtingen op te nemen op de plankaart en ze te beschermen door middel van regels. De archeologische resten in de bodem vormen een belangrijke bron van informatie over het verleden. In het bijzonder voor die perioden of aspecten van het verleden waarvan geen of weinig schriftelijke bronnen bewaard zijn gebleven of waarover niet of nauwelijks is geschreven.


Beoordeling

Het cultureel erfgoed van de gemeente Valkenswaard is opgenomen in de gemeentelijke Erfgoedkaart. Op de Erfgoedkaart zijn zowel de archeologische waarden en verwachtingen als de cultuurhistorische waarden opgenomen. Het plangebied valt binnen categorie 2 (gebied van archeologische waarde), categorie 3 (gebied met een hoge archeologische verwachting, historische kern) en categorie 4 (gebied met een hoge archeologische verwachting). Bodemingrepen zijn niet toegestaan indien het te bebouwen oppervlak groter is dan 100 m² (cat. 2) danwel 250 m² (cat. 3) danwel 500 m² (cat. 4) en de ingrepen dieper gaan dan 0,3 meter beneden maaiveld of 0,5 meter beneden maaiveld (esdek).

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPkromstraat4244-VA01_0016.png" Uitsnede Erfgoedkaart - archeologische beleidskaart (bron: atlas.odzob.nl/erfgoed)

Gelet op de grootte van de woningen is voor de onderhavige ontwikkeling is een archeologisch onderzoek benodigd. In het kader van het aspect bodemkwaliteit zijn de gronden deels geroerd bij sanerende werkzaamheden. Om die reden is, ten behoeve van het bepalen van de grootte van de totale onderzoeksverplichting, door Econsultancy eerst een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen als bijlage 3.


Het bureauonderzoek toont aan dat zich mogelijk nog archeologische waarden in situ in het plangebied zouden kunnen bevinden. De archeologische verwachting is laag voor het Paleolithicum en Mesolithicum en hoog voor de periode Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Het plangebied is in gebruik geweest als woonerf. Er hebben bouwactiviteiten plaatsgevonden, maar deze reiken vanwege de aanwezigheid van een dik esdek, niet of nauwelijks in het archeologische niveau. Verwacht wordt dat eventuele archeologische resten goed geconserveerd zijn. Ook de uitgevoerde saneringswerkzaamheden zijn niet van dien aard geweest dan zij eventuele archeologische resten hebben verstoord.


Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek dient het plangebied nader te worden onderzocht door middel van een IVO karterende en waarderende fase, proefsleuven (IVO-P). Een booronderzoek is binnen een historische kern minder zinvol, omdat aangetoonde verstoringen in de boorprofielen op zichzelf archeologische sporen kunnen zijn. Om, totdat de resultaten van het nadere onderzoek bekend zijn, eventueel aanwezige archeologische waarden te beschermen wordt in het onderhavige bestemmingsplan een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' (2, 3 en 4) opgenomen.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat binnen het plangebied mogelijk archeologische resten aanwezig zijn. Voorafgaand aan de bouw van de woningen wordt een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. Om de eventueel aanwezige resten te beschermen is in het onderhavige plan een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' opgenomen.

4.4.2 Cultuurhistorie

Wettelijk toetsingskader

Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald.


In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.


Beoordeling

De Kromstraat is op de Cultuurhistorische Waardenkaart aangeduid als historische lijn met redelijk hoge waarde. Deze straat vormt geografisch een waardevolle lijn vanuit het centrum van Valkenswaard naar het buitengebied. Het betreft een halfopen bebouwingslint met individueel vormgegeven bebouwing.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPkromstraat4244-VA01_0017.png"

Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart met aanduiding plangebied

Voor de realisatie van de twee woningen geldt als uitgangspunt voor de situering en vormgeving dat de karakteristiek van de Kromstraat behouden wordt. Het plangebied is daarnaast gedeeltelijk gelegen in AMK-gebied, een terrein in Valkenswaard met hoge archeologische waarde. In de vorige paragraaf nader ingegaan op de archeologische waarden.


Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het aspect cultuurhistorie is betrokken bij de situering en vormgeving van beide woningen. Als gevolg daarvan gelden randvoorwaarden voor de situering, vormgeving en beeldkwaliteit van de woningen.

Hoofdstuk 5 Planbeschrijving

5.1 Stedenbouwkundige inpassing

Algemeen

Het planvoornemen bestaat uit de realisatie van twee vrijstaande woningen in het plangebied. Hiervoor wordt een groot deel van het kadastrale perceel D 3443 gebruikt. Beide percelen worden circa 25 meter breed en hebben een oppervlakte van circa 2.000 m². Aan beide zijden wordt een beperkt deel van het perceel toegevoegd aan de naastgelegen percelen. Deze delen blijven buiten onderhavig plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPkromstraat4244-VA01_0018.png"

Indeling van kadastraal perceel


Voor de situering, vormgeving en beeldkwaliteit van beide woningen geldt als uitgangspunt dat de karakteristiek van de Kromstraat behouden blijft en versterkt wordt. Het bebouwingslint heeft een landelijke en groene uitstraling met veelal traditioneel vormgegeven bebouwing.


Situering

Om de woningen op een zorgvuldige wijze in te passen in het bebouwingslint is het van belang dat beide woningen in samenhang met de bestaande woningen worden gesitueerd. Door de voorgevels van beide woningen op 16 tot 18 meter van de voorste erfgrens te situeren is sprake van een vloeiende rooilijn aan de noordzijde van de Kromstraat. De bijgebouwen worden minimaal 3 meter achter de voorgevel van de hoofdgebouwen gesitueerd. In de bestemmingsplanregeling worden ruime bouwvlakken opgenomen, zodat de woningen nog kunnen worden verschoven. Dit sluit aan bij de wens uit de woonvisie om flexibiliteit in de programmering te creëren. Bij de situering van de bouwvlakken is daarnaast rekening gehouden met een minimale afstand van 3 meter tot de zijdelingse perceelsgrens. Ook dienen de voorgevels van de woningen in óf maximaal 2 meter uit de voorste bouwgrens te worden gebouwd. Om, naast de twee voornoemde maten, de flexibiliteit niet te laten prevaleren boven het realiseren van grote bouwmassa's, is door middel van een bebouwingspercentage geregeld dat het bouwvolume aansluit bij datgene dat elders in de straat aanwezig is.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPkromstraat4244-VA01_0019.png"
Situering vrijstaande woningen met in rood de aanduiding van het bouwvlak

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPkromstraat4244-VA01_0020.png"

Gewenste situering van de nieuwe woningen ter versterking van de doorgaande rooilijn in de Kromstraat

Vormgeving

In overeenstemming met het bebouwingsbeeld in de Kromstraat worden beide woningen opgebouwd in één tot twee bouwlagen met kap. De maximale goothoogte bedraagt 7 meter en de maximale bouwhoogte 10 meter. De kap kan vormgegeven worden als zadeldak of schilddak. De bijgebouwen zijn in vormgeving ondergeschikt aan het hoofdgebouw.


Beeldkwaliteit

Wat betreft de uitstraling van beide woningen geldt dat aangesloten wordt op de karakteristiek van het bebouwingslint. De gevels worden opgebouwd in baksteen metselwerk met gedekte aardetinten. De daken worden voorzien van antraciete dakpannen.


afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPkromstraat4244-VA01_0021.png"

Impressie van bebouwingskarakteristiek van de Kromstraat

5.2 Parkeren

Thans geldt de parkeernormering als vastgesteld in 2008. Op basis van deze normering dienen voor beide woningen op eigen erf twee parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. Voor deze opstelruimte is voldoende ruimte beschikbaar. Indien er een nieuwe parkeernormering geldt dient hieraan te worden getoetst bij aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen. Het erf geeft voldoende ruimte om bijstellingen in de normering op eigen terrein op te lossen.

Hoofdstuk 6 Uitvoeringsaspecten

6.1 Handhaving

Toezicht en handhaving van een bestemmingsplan houden in de eerste plaats in, dat van overheidswege wordt gekeken op de naleving van de regelgeving. De gemeente inventariseert de uitkomsten van een dergelijk onderzoek en vormt zich een oordeel. Tenslotte beslist zij of er interventies in de vorm van maatregelen en acties nodig zijn. De praktische uitwerking is nader in dit hoofdstuk beschreven. Als een nieuw bestemmingsplan wordt opgesteld en op termijn een ander ruimtelijk rechtsregime gaat gelden, dient de gemeente op een bepaald ijkmoment inzicht te hebben, wat er feitelijk aan bouwwerken in een gebied aanwezig is, hoe deze en de onbebouwde omgeving worden gebruikt. De rechtssituatie gaat specifiek een rol spelen als in het kader van toezicht en handhaving teruggegrepen moet worden op het overgangsrecht, zoals dat in het geldend bestemmingsplan is beschreven. Op grond van het overgangsrecht is met objectieve feiten vast te stellen hoe de rechtssituatie is en of er bouw- en of gebruiksregels zijn overtreden. Het geheel geeft duidelijkheid aan burgers en overheid over en weer. Het systeem biedt de gemeente de mogelijkheid, als het opleggen van een dwangsom geen zin heeft gehad, op te treden via de weg van bestuursdwang. Eventueel kan door inschakeling van justitie een procedure in gang worden gezet die gericht is op vervolging wegens het begaan van een strafbaar feit. Het betreft hier de activiteiten die in de planregels worden ingeleid met de zinsnede "het is verboden ………".

6.2 Economische uitvoerbaarheid

Toetsingskader

De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan, een wijziging van een bestemmingsplan, een projectbesluit of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening:

  • de bouw van een of meer woningen;
  • de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen;
  • de uitbreiding van een hoofdgebouw met ten minste 1.000 m² of met een of meer woningen;
  • de verbouwing van een of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd;
  • de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies tenminste 1.000 m² bedraagt;
  • de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m².


Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is én er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd én geen locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) hoeven te worden vastgesteld.


Door als gemeente alle gronden en opstallen in eigendom te hebben, zelf de grondexploitatie te voeren en de bouwgrond uiteindelijk bouwrijp tegen een marktconforme prijs te leveren wordt ook voldaan aan de eis van verplichte kostenverhaal. De kosten van grondexploitatie worden in dat geval verhaald via de gronduitgifteprijs.


Beoordeling en conclusie

De gronden binnen het plangebied zijn niet in eigendom bij de gemeente Valkenswaard. Voor de ontwikkeling wordt geen exploitatieplan vastgesteld, omdat het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd. Voor de ontwikkeling is een exploitatieovereenkomst gesloten tussen de gemeente Valkenswaard en initiatiefnemer. Hierin is geregeld dat de ontwikkeling geen financiële gevolgen heeft voor de gemeente Valkenswaard. De kosten van de plannen, gericht op de realisering van woningen, komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Hiermee wordt voldaan aan artikel 6.12 Wro.

Hoofdstuk 7 Juridische regeling

7.1 Algemene opzet

Dit hoofdstuk bespreekt de wijze waarop het ruimtelijk en functioneel beleid voor het plangebied in het bestemmingsplan is vertaald. Bij het opstellen van de juridische regeling heeft het uitgangspunt centraal gestaan dat er een regeling geboden wordt die de ontwikkeling van het plangebied mogelijk maakt..

7.2 Opbouw van het bestemmingsplan

Het bestemmingsplan bestaat uit (bestemmings)planregels en een verbeelding, vergezeld van een toelichting. De planregels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De planregels zijn zodanig opgesteld dat wordt aangesloten bij de in de gemeente Valkenswaard gehanteerde systematiek. Het plan "Mozaïek" is reeds opgesteld volgens deze systematiek, de regels zijn daarom gebaseerd op dit bestemmingsplan.


De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding omvat de gronden die voor de ontwikkeling van het plan van belang zijn. De keuze van de bestemmingen en de situering van de bestemmingsvlakken is gebaseerd op de huidige ruimtelijke situatie en de gewenste functies. Voorts sluit de opzet van de verbeelding aan op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012).


De bestemmingsplanregels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden.


De bestemmingsplanregels bestaan uit vier hoofdstukken, te weten:

  • inleidende regels;
  • bestemmingsregels;
  • algemene regels;
  • overgangs- en slotregels.


In de toelichting wordt gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Ondanks het feit dat de toelichting geen onderdeel uitmaakt van het juridisch plangedeelte, fungeert de toelichting wel als interpretatiekader voor de uitleg van de regels, indien hierover interpretatieverschillen blijken te bestaan.

7.3 Bestemmingsplanregels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Begrippen

In het eerste artikel, 'begrippen', worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsbepalingen zijn opgenomen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Voor sommige begrippen worden in de SVBP en Bor omschrijvingen gegeven. Deze zijn overgenomen.


Bouwperceel

In feite is het bouwperceel het stuk grond, dat bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning moet worden aangemerkt als behorende bij de aangevraagde bebouwing. Het begrip 'bouwperceel' kan nodig zijn om het toelaatbare bebouwingsareaal rechtvaardig per vestiging, per bedrijf, per beheerseenheid of per wooneenheid etc. te verdelen. Een op de verbeelding aangegeven vlak met eenzelfde bestemming kan in bepaalde gevallen meerdere bouwpercelen omvatten.


Voorgevelrooilijn

De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), die op 1 oktober 2010 in werking is getreden, regelt een groot aantal omgevingsvergunningsvrije bouwwerken. Om te bepalen of een bepaald bouwwerk vergunningsvrij is, wordt in een aantal gevallen gebruik gemaakt van het begrip voorgevelrooilijn. De wet voorziet echter niet in een begripsbepaling, maar verwijst hierbij onder andere naar het bestemmingsplan. Daarom is het begrip voorgevelrooilijn opgenomen in onderhavig bestemmingsplan.


Het bestemmingsplan maakt gebruik van bouwvlakken, waarbinnen de hoofdbebouwing met bijbehorende bouwwerken gerealiseerd mag worden. De voorgevelrooilijn wordt gevormd door de grens van het bouwvlak die is gericht naar het openbaar gebied (bijvoorbeeld een weg of groenvoorziening) en het verlengde van die grens.


Wijze van meten

Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen, wordt in de 'wijze van meten' uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Ook voor de 'wijze van meten' worden in de SVBP richtlijnen gegeven die zijn overgenomen in dit plan.


Goothoogte en bouwhoogte van een bouwwerk

Het reguleren van bouwvolumes kan op verschillende manieren plaatsvinden. In het verleden werd hierbij in Valkenswaard het begrip goothoogte als belangrijkste factor gehanteerd. In de nieuwe bestemmingsplansystematiek wordt naast de goothoogte ook een maximale bouwhoogte opgenomen. Met name het begrip goothoogte behoeft enige toelichting. De onderliggende gedachte bij het begrip goothoogte is een stapeling van bouwmassa's in een hoofdvolume (basismassa) met daarop mogelijk een secundair volume in de vorm van een kapconstructie of daarmee vergelijkbare dakafdekking. Vaak is het onderscheid tussen beide bouwmassa's niet voor de volle honderd procent eenduidig.


Met de goothoogte wordt beoogd de maximale hoogte van de basismassa te reguleren. De te toetsen hoogte moet dan ook plaatsvinden aan de hand van de goothoogte die representatief kan worden geacht voor de basismassa. Ter illustratie zijn in onderstaande afbeelding enkele voorbeelden geschetst.


afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPkromstraat4244-VA01_0022.png"

Goot- en bouwhoogte van een bouwwerk

Bij bijbehorende bouwwerken geldt in principe dezelfde filosofie. Verder wordt daarbij aanvullend een maximale dakhelling voorgeschreven om het éénlaagse karakter te benadrukken, mede om de belendende (woon-)percelen een bescherming in hun woon- en/of gebruiksgenot te bieden. Uitgangspunt is te voorkomen, dat belendingen worden geconfronteerd met relatief lange wanden die hoger zijn dan drie meter. Beperkte topgevels zijn acceptabel. De dakhelling heeft bovendien de functie van regulerende factor in de zon-/lichtbelemmering. In onderstaande afbeelding zijn enkele illustraties van deze situaties gegeven. Daarbij zijn ook bouwwerken geschetst, waarvan de ontwikkeling niet moet plaatsvinden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPkromstraat4244-VA01_0023.png"

Goot- en bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Dit hoofdstuk omvat de op de afzonderlijke bestemming gerichte regels. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden.


Tuin

De bestemming 'Tuin' is bedoeld voor voor- en zijtuinen alsmede voor in- en uitritten voor woningen. Binnen deze bestemming zijn uitsluitend bouwwerken toegestaan ten behoeve van de aanleg en instandhouding van de gronden als tuin. De grens tussen de bestemming 'Tuin' en de aangrenzende bestemming wordt conform een vaste standaard getekend. Deze standaard is vastgelegd in het 'Handboek digitale bestemmingsplannen Gemeente Valkenswaard'. Vergunningsvrij bouwen is echter op 1 meter achter de voorgevel toegestaan. De bestemming 'Tuin' is daarom op zijpercelen getekend tot op 1 meter achter de voorzijde van het bouwvlak van de aangrenzende bestemming.


Binnen deze bestemming bedraagt de bouwhoogte van een erfafscheiding maximaal 1 meter. Indien de bestemming 'Tuin' op een zijperceel verder doorloopt dan bovenstaande 1,5 meter én deze zijtuin niet grenst aan de openbare weg, dan geldt voor een erfafscheiding een maximale bouwhoogte van 2 meter. Grenst de als 'Tuin' bestemde zijtuin aan de openbare weg, dan kan een hoge erfafscheiding verkeersonveilige situaties opleveren. Een dergelijke erfafscheiding mag daarom maximaal 1 meter hoog zijn. In afwijking hiervan is een erfafscheiding van maximaal 2 meter hoog toegestaan, onder voorwaarden in het kader van verkeersveiligheid en stedenbouw.


De bestemming voorziet in een regeling voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken aan de voorgevel van het hoofdgebouw (erkers). De diepte van het bijbehorende bouwwerken vóór de voorgevel van het hoofdgebouw bedraagt maximaal 1,5 meter.


Daarnaast kan in afwijking van het bestemmingsplan naast het pand ook een zijaanbouw worden toegestaan tot 1 meter naast de rooilijn van de zijgevel. In de afwijkingsregels zijn voorwaarden opgenomen die rekening houden met de situering van het belendende perceel 'om de hoek' (dus achter het hoekperceel) en/of aan de overkant van de zijstraat (dus in het verlengde van het hoekperceel). In het eerste geval wordt de afwijkingsregeling bepaald door de voorgevelrooilijn van het belendende pand om de hoek. Aan de overzijde kan het veel uitmaken of daar voorgevels zijn, zijgevels of een groen- of parkeerstrook, waardoor het bevoegd gezag wel of niet overgaat tot verlening van de omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan.


Wonen

Deze bestemming geldt voor alle woningen in het plangebied met bijbehorende zij- en achtertuinen.

Hoofdgebouwen

De hoofdbebouwing wordt vastgelegd in bouwvlakken. Zo wordt de maatvoering, situering en de vorm van de hoofdgebouwen vastgelegd. Ook het maximum aantal woningen dat binnen het bouwvlak is toegestaan wordt op de verbeelding aangegeven. Uitbreiding van hoofdgebouwen over twee bouwlagen mag uitsluitend plaatsvinden binnen de bouwvlakken. De diepte van de woning is afhankelijk van het aantal woningen binnen één bouwvlak. In het onderhavige plan wordt per bouwvlak één woning mogelijk gemaakt en bedraagt de perceelsbreedte meer dan 21 meter. Om die reden mogen de te realiseren woningen, conform de Valkenswaardse plansystematiek, maximaal 17 meter diep worden gebouwd. Het bebouwingspercentage van het bouwvlak mag niet meer bedragen dan 70%.


Bijbehorende bouwwerken

Bijbehorende bouwwerken, zwembaden, erfafscheidingen en andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak van het hoofdgebouw gerealiseerd worden. De hoeveelheid te realiseren bijbehorende bouwwerken gelegen buiten het bouwvlak is in de regels opgenomen. Tevens is in de bouwregels voor bijbehorende bouwwerken een maximale goothoogte van 3,5 meter en een maximale dakhelling van 45 graden opgenomen.


Gezien de maximaal mogelijke oppervlakte van 150 m², is het in theorie mogelijk om een bijbehorende bouwwerk te realiseren met een zeer hoge nok. Om excessen in bouwhoogte te voorkomen, is deze gemaximaliseerd op 5,5 meter. Hiermee wordt tevens voorkomen dat boven de goothoogte van 3,5 meter nog een volwaardige bouwlaag gerealiseerd kan worden.


Begrenzing Woon- en Tuinbestemming

De algemene wijze van bestemmen gaat uit van het principe dat de voortuinen en gedeelten van zijtuinen de bestemming 'Tuin' krijgen en de resterende gronden de bestemming 'Wonen'. De tuinbestemming is in beginsel tot op een afstand van 1 meter achter de voorzijde van het bouwvlak van de woonbestemming gelegd.


Goothoogte en bouwhoogte

De maximale goot-en bouwhoogte van het hoofdgebouw wordt in het bouwvlak aangegeven met behulp van een maatvoeringsaanduiding. De goot-en bouwhoogte geldt voor het (deel van het) bouwvlak, waaraan het op de verbeelding gekoppeld is. Boven de maximaal toegestane goothoogte is op grond van de bouwregels nog maximaal één bouwlaag toegestaan, waarmee voorkomen wordt dat in de kap twee of meer woonlagen gerealiseerd kunnen worden. De maximale goot-en bouwhoogte voor bijbehorende bouwwerken is opgenomen in de regels.


Aan-huis-verbonden beroepen

Binnen de bestemming 'Wonen' zijn aan-huis-verbonden beroepen rechtstreeks toegestaan tot een oppervlakte van 35 m², mits voldaan wordt aan de eisen zoals opgenomen in de specifieke gebruiksregels van de bestemming 'Wonen'. Het bevoegd gezag kan in afwijking hiervan een omgevingsvergunning verlenen tot een oppervlakte van maximaal 75 m². Belangrijke voorwaarden daarbij zijn onder andere dat er geen ernstige of onevenredige hinder van het woonmilieu mag optreden en dat de afwikkeling van het verkeer niet nadelig wordt beïnvloed. Ook de parkeerdruk mag niet onaanvaardbaar toenemen door het aan-huis-verbonden beroep. Het gebruiken van bijgebouwen als zelfstandige woning of onafhankelijke woonruimte is in beginsel niet toegestaan.


Waarde - Archeologie 2

Categorie 2: Gebied van archeologische waarde. In deze gebieden is bij eerdere onderzoeken reeds aangetoond dat er concentraties archeologische resten voorkomen die als behoudenswaardig gekarakteriseerd kunnen worden. In deze gebieden is dus sprake van vastgestelde archeologische waarden. De archeologische resten op deze terreinen zijn echter minder geconcentreerd dan bij de vorige categorie en bovendien is vaak niet exact bekend waar de resten zich bevinden. Bodemingrepen zijn in principe niet toegestaan. Vanwege de aanwezige archeologische waarden is een archeologisch onderzoek vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten van projectgebieden die groter zijn dan 100 m² en dieper gaan dan 0,3 m onder maaiveld.


Waarde - Archeologie 3

Categorie 3: Gebied met een hoge archeologische verwachting, historische kern. Het gaat hier om de oude en de vermoedelijk nog oudere verschoven woonkernen en gehuchten, waar op basis van historische bronnen, oude kaarten en nog aanwezige bebouwing een hoge archeologische verwachting geldt. Dat wil zeggen dat in deze gebieden sprake is van een hoge concentratie archeologische vindplaatsen met goede conserveringsomstandigheden. De kans op het aantreffen van archeologische vondsten bij bodemingrepen is dus zeer groot. Om die reden is een vergunning vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten van projectgebieden die groter zijn dan 250 m² en dieper gaan dan 0,3 m -mv.


Waarde - Archeologie 4

Categorie 4: Gebied met een hoge archeologische verwachting. In deze gebieden geldt op basis van geomorfologische en bodemkundige opbouw en aangetroffen archeologische vondsten en relicten een hoge archeologische verwachting. Dat wil zeggen dat in deze gebieden sprake is van een hoge concentratie archeologische vindplaatsen met goede conserveringsomstandigheden. De kans op het aantreffen van archeologische vondsten bij bodemingrepen is dus zeer groot. Om die reden is een archeologisch onderzoek vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten die groter zijn dan 500 m² en dieper gaan dan 0,3 m of 0,5 m bij esdek onder maaiveld. Indien nog geen oppervlakte van een totale vergraving bekend is, bijvoorbeeld bij bestemmingsplanwijzigingen, geldt de onderzoeksverplichting voor plangebieden groter dan 1.000 m².


Hoofdstuk 3 Algemene regels

In dit hoofdstuk zijn de aanvullende, algemene regels opgenomen


Anti-dubbeltelregel

Dit artikel bevat de bepaling om te voorkomen dat met het bestemmingsplan strijdige situaties ontstaan of worden vergroot. Het artikel is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening en is daaruit overgenomen.


Algemene bouwregels

In dit artikel is een aantal aanvullende bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen kunnen gelden. Zo is bijvoorbeeld geregeld dat bestaande, afwijkende maten, die in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet of latere wetgeving tot stand zijn gekomen, als maximaal toelaatbaar worden geacht. Hiermee wordt voorkomen dat afwijkende doch legaal tot stand gekomen situaties in strijd zijn met het nieuwe bestemmingsplan


Algemene afwijkingsregels

In dit artikel is in aanvulling op de afwijkingsregels uit de bestemmingen nog een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Het bevoegd gezag kan hierbij tevens nadere eisen stellen. De belangen van waaruit die eisen worden gesteld, zijn ook nader opgesomd in dit artikel.


Op deze algemene afwijkingsregels kan een beroep gedaan worden, waar het gaat om bijvoorbeeld bepaalde overschrijdingen met 10%, voor het oprichten van bouwwerken ter wering van geluidhinder, voor gebouwtjes ten dienste van het verkeer of openbaar nut, voor antennes en zendmasten en voor bepaalde bouwwerken op of direct nabij de openbare weg.


Algemene wijzigingsregels

Op deze algemene wijzigingsregels kan een beroep gedaan worden, waar het gaat om bijvoorbeeld bepaalde overschrijdingen met 10%, voor de in het plan aangegeven bestemmingsplangrens, van het beloop of het profiel van een weg, alsmede van de vorm van bouwvlakken voor zover zulks bij de definitieve uitmeting, bij de verkaveling of bij de nadere detaillering noodzakelijk en/of wenselijk is.


Algemene procedureregels

In dit artikel zijn de procedures opgenomen die gevolgd moeten worden bij het stellen van nadere eisen en bij een wijziging.


Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Dit hoofdstuk omvat twee artikelen:


Overgangsrecht

De tekst uit dit artikel is wettelijk vastgelegd en overeenkomstig opgenomen. Het betreft een regeling voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het inwerking treden van het bestemmingsplan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd.


Slotregel

In de slotregel wordt aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.


Hoofdstuk 8 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

8.1 Inleiding

In het bestemmingsplanproces bestaan diverse mogelijkheden tot communicatie. De voor dit voorliggende bestemmingsplan relevante communicatie wordt in dit hoofdstuk belicht.

8.2 Planologische procedure

Vooroverleg

Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleg met de besturen van bij het plan betrokken waterschappen plegen. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Vóór het opstarten van de procedure is dit bestemmingsplan ter vooroverleg opgestuurd naar het Waterschap en naar de provincie Noord-Brabant. De Provincie heeft middels een geautomatiseerd antwoord te kennen gegeven dat provinciale belangen niet in het geding zijn. Het Waterschap heeft te kennen gegeven in te kunnen stemmen met de waterparagraaf, maar ziet wel graag dat wordt verwezen naar nieuw vastgesteld beleid van de Provincie (Provinciaal Water- en Milieuplan) en het Waterschap (Waterbeheerplan). Deze verwijzingen worden overgenomen. De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) heeft laten weten dat wanneer geen nationaal belang gemoeid is, er geen vooroverleg gevoerd hoeft te worden. In dit geval is er inderdaad, zoals bij het beleidskader beschreven, geen nationaal belang gemoeid.


Tervisielegging

Het ontwerp bestemmingsplan heeft van 27 oktober 2016 tot en met 7 december 2016 ter inzage gelegen. In deze periode zijn geen zienswijzen ingediend.