direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Dorpsstraat 19
Status: voorontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0858.BPdorpsstraat19-VO01

Toelichting

Hoofdstuk 1 INLEIDING

1.1 Aanleiding en doel

Tilburgs Truck Parts, gevestigd aan de Dorpsstraat 19 in Borkel, gemeente Valkenswaard, is voornemens om het bestaande bedrijfspand op het perceel uit te breiden. Het bedrijf is specialist in het maken van bekistingen voor vrachtwagens, reeds jaren op de huidige locatie gevestigd en uitgegroeid tot een belangrijke lokale werkgever, aangezien een groot gedeelte van de werknemers uit Borkel en Schaft zelf afkomstig is.

In minder dan een jaar tijd is het aantal werknemers gegroeid van 20 naar 25 en deze groei zet zich de komende jaren naar verwachting verder door. De uitbreiding is noodzakelijk gelet op deze groei en met name voor de daarmee gepaard gaande behoefte aan overdekte opslagcapaciteit. Op dit moment zijn de meeste materialen buiten opgeslagen, hetgeen niet alleen inefficiënt is, maar ook geen representatief beeld geeft van het bedrijf. Momenteel is een loods aanwezig met een oppervlakte van circa 1.500 m2. Deze loods is in 2014 reeds aangepast ten behoeve van het realiseren van extra kantoorruimte. Inmiddels is gebleken dat ook deze kantoorruimtes niet toereikend zijn om in de groeiende behoefte aan (adequaat ingerichte) werkplekken te kunnen voorzien. Derhalve is de kantine als kantoorruimte in gebruik genomen. De huidige kantine bevindt zich inmiddels buiten de loods, in een tijdelijke unit.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPdorpsstraat19-VO01_0001.png"

Gelet op de groei van het bedrijf bestaat het plan om de bestaande loods met dezelfde oppervlakte te vergroten, zodat een bedrijfspand ontstaat van in totaal 3.000 m². De nieuwe loods zal in hoofdzaak worden benut ten behoeve van opslagruimte, zodat de nu nog buiten opgeslagen materialen inpandig kunnen worden opgeslagen. Een klein deel van de nieuwe loods zal als kantoor worden gebruikt, zoals dat ook bij de bestaande loods het geval is. Ook de kantine zal in de nieuwe loods worden ingepast, waarmee de tijdelijke kantine-unit kan verdwijnen. Zowel de bestaande als de nieuwe kantoorruimtes bevinden zich aan de zuidzijde van het bedrijfspand. De productieactiviteiten, in het noordelijke deel van de bestaande loods, blijven daar vooralsnog gehandhaafd. In een later stadium bestaat evenwel de mogelijkheid dat een gedeelte van de productie naar de nieuwe loods worden verplaatst om een meer efficiënt productieproces te kunnen bewerkstelligen. Dit is op dit moment echter nog niet aan de orde.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPdorpsstraat19-VO01_0002.png"

De uitbreiding met bebouwing gaat gepaard met een herinrichting en landschappelijke inpassing van het bedrijfsperceel. Samen met het gegeven dat de buitenopslag verdwijnt en daarvoor ook minder vervoersbewegingen nodig zullen zijn (efficiëntere inrichting), levert dit ter plaatse een aanzienlijke ruimtelijke kwaliteitsverbetering op. Door middel van de uitbreiding en de daarmee gepaard gaande herinrichting van het onbebouwde terrein is Tilburgs Truck Parts voor de komende jaren voorzien van een optimaal ingericht bedrijfsperceel.

Het voornemen om de bedrijfsbebouwing uit te breiden is niet mogelijk op basis van het vigerende bestemmingsplan 'Borkel en Schaft 2007' van de gemeente Valkenswaard. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken is het derhalve noodzakelijk een nieuw bestemmingsplan op te stellen. Het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente Valkenswaard heeft besloten om, onder voorwaarden, medewerking te verlenen aan de benodigde bestemmingsplanherziening.

Het voorliggende bestemmingsplan betreft deze herziening en heeft als doel het plangebied te voorzien van een actuele en op maat gemaakte planologische regeling, waarbinnen de voorgenomen uitbreiding van de bedrijfsbebouwing mogelijk wordt.

1.2 Plankarakter

Het bestemmingsplan 'Dorpsstraat 19' draagt het karakter van een ontwikkelingsgericht plan. Dit houdt in, dat er in het plangebied stedenbouwkundige/ruimtelijke veranderingen worden voorzien. In hoofdstuk 5 is een beschrijving opgenomen van de gewenste ontwikkeling.

1.3 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt kort het plangebied beschreven. Hoofdstuk 3 bevat de toetsing van de ontwikkeling aan relevant planologisch beleid en wetgeving. Hierna wordt in hoofdstuk 4 het plangebied uitvoerig beschreven. In hoofdstuk 5 volgt een projectbeschrijving. In hoofdstuk 6 komt het aspect handhaving en de economische uitvoerbaarheid aan de orde. In hoofdstuk 7 volgt de opzet van de juridische regeling. Hoofdstuk 8 bevat tenslotte de resultaten van inspraak, overleg en zienswijzen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPdorpsstraat19-VO01_0003.png"

Hoofdstuk 2 PLANGEBIED

2.1 Situering

Het plangebied is gelegen aan de noordwestzijde van de kern Borkel, aan de Dorpsstraat. Deze straat vormt tevens de zuidwestgrens van het plangebied. De begrenzing aan de noord(oost en -west)zijde bestaat uit bosgebied. Aan de zuidoostzijde grenst het plangebied aan het naastgelegen agrarische perceel. Het plangebied is circa 1,5 hectare groot (16.500 m²) en bestaat uit diverse kadastrale percelen.

De wijdere omgeving wordt ten noorden van het plangebied gevormd door de bosgebieden van de Malpie, richting het zuiden door de dorpskern van Borkel en in oostelijke en westelijke richting door overwegend agrarisch buitengebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPdorpsstraat19-VO01_0004.png"

2.2 Bestaande juridische regeling

Toetsingskader

Voor het grootste deel van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Borkel en Schaft 2007', zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 27 september 2007 en goedgekeurd door Gedeputeerde Staten op 13 mei 2008. Het plangebied heeft daarbinnen de bestemming 'Bedrijfsdoeleinden', met uitzondering van de randen, waar de bestemming 'Groenvoorzieningen' aan is toegekend. Binnen de bedrijfsbestemming is de zone waar bebouwing is toegestaan vastgelegd door middel van een bouwvlak.

Er zijn binnen het plangebied twee bouwvlakken aanwezig, één voor de bestaande (uit te breiden) loods en één voor de overige bedrijfsbebouwing inclusief de bedrijfswoning. Het bouwvlak waar de bestaand loods ligt mag volledig worden bebouwd, hetgeen ook gebeurd is. De huidige loods is bovendien enkele jaren gelegen door middel van een verleende vrijstelling reeds in beperkte mate uitgebreid, waardoor deze aan de noordoostzijde deels buiten het aangeduide bouwvlak valt. Het andere bouwvlak mag voor 50% worden bebouwd en behoorde voorheen tot de aan de Dorpsstraat 21 gevestigde meubelmakerij met bedrijfswoning (nr. 21a). Dit bedrijf is echter opgekocht door Tilburg Truck Parts en bij het bedrijfsperceel betrokken. De aanwezige bedrijfswoning is vervolgens als zodanig in gebruik genomen.

Voor een klein gedeelte van het plangebied aan de uiterste westzijde vigeert het bestemmingsplan 'Buitengebied', zoals vastgesteld op 27 juni 2013. Dit gedeelte is bij het plangebied getrokken teneinde een meer logische begrenzing tussen de kern van Borkel en het buitengebied te bewerkstelligen, op basis van kadastrale grenzen. Hier geldt de bestemming 'Natuur'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPdorpsstraat19-VO01_0005.png"

Beoordeling

De uitbreiding van de bestaande loods is voorzien buiten het bouwvlak, in een zone die is aangeduid als 'bedrijf zonder gebouwen'. Het vigerende bestemmingsplan 'Borkel en Schaft 2007' biedt voor een uitbreiding van deze omvang geen mogelijkheden voor vrijstelling (c.q. afwijking). Om de uitbreiding mogelijk te maken is een nieuwe juridisch-planologische regeling noodzakelijk voor dat deel van het plangebied waarvoor het bestemmingsplan 'Borkel en Schaft 2007' geldt. Dat deel van het plangebied waarvoor het bestemmingsplan 'Buitengebied' geldt, wordt integraal overgenomen.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat voor de uitbreiding van de loods een nieuwe juridisch-planologische regeling noodzakelijk is. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet daarin.

Hoofdstuk 3 PLANOLOGISCH KADER

De gemeente Valkenswaard heeft te maken met de vigerende beleidskaders van de landelijke en provinciale overheid; ontwikkelingen dienen te voldoen aan dit beleid. Daarnaast dient de voorgenomen ontwikkeling zich eveneens te voegen binnen de marges van het gemeentelijke beleid. Het ruimtelijk beleid van de drie voorgenoemde overheden is per overheidslaag neergelegd in één of meerdere zogenoemde structuurvisies. Voor de realisatie van het beleid zetten de verschillende overheden een mix van instrumenten in; één van die instrumenten betreft het vertalen van het beleid uit de structuurvisie naar een juridisch bindende verordening. Hieronder zijn de voor dit bestemmingsplan relevante structuurvisies en verordeningen per overheidslaag weergegeven en wordt getoetst of de onderhavige ontwikkeling passend is binnen het beleid.

3.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), 2012

Toetsingskader

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van kracht geworden. Deze structuurvisie vormt de uitwerking van de ambities van het Rijk, op basis van haar verantwoordelijkheden, in Rijksdoelen en daarmee samenhangende nationale belangen op het gebied van een samenhangend ruimtelijk en mobiliteitsbeleid. Het Rijk heeft tot doel Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te maken in een periode van economische conjunctuurschommelingen, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen. Aanleiding voor het vaststellen van de visie is de constatering dat het voorheen geldende ruimtelijke Rijksbeleid onvoldoende bijdroeg aan het behalen van deze doelen, onder meer door het veroorzaken van bestuurlijke drukte, ingewikkelde regelgeving en een te sectorale blik op vraagstukken. Om dit te keren brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij diegene die het aangaat en laat het meer over aan gemeenten en provincies.

Het Rijk onderscheidt thans nog dertien nationale belangen; uitsluitend op basis van deze belangen intervenieert het Rijk in de ruimtelijke ordening. Een groot deel van deze belangen leidt tot het reserveren van ruimte voor functies. Dit betreft dan bijvoorbeeld het reserveren van ruimte voor waterberging, militaire activiteiten en de uitbreiding van het hoofdwegennet. Deze belangen zijn vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). Eén van de belangen die niet leidt tot een ruimtereservering is het belang van een 'zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten'. In het kader van dit belang heeft het Rijk besloten om, ten behoeve van het verminderen van de bestuurlijke drukte en het neerleggen van verantwoordelijkheden bij decentrale overheden, de verstedelijkingsstrategie te wijzigen. Dit houdt in dat het bundelingsbeleid, verdichtingsbeleid, locatiebeleid voor bedrijven en voorzieningen, beleid voor basiskwaliteit, stedelijke netwerken, nationale landschappen en rijksbufferzones is afgeschaft en dat daar slechts één beleidslijn voor terug komt: de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Deze 'ladder' heeft tot doel het principe van vraaggericht programmeren en het principe van zorgvuldig ruimtegebruik bindend voor te schrijven bij de afwegingen van gemeenten en provincies. Dit belang is als procesvereiste vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

Grondgedachte van de 'ladder' is dat een activiteit op meerdere locaties zou kunnen plaatsvinden en dat vervolgens de planologisch meest juiste locatie gekozen moet worden. Dat gaat uit van de activiteit. Hiermee wordt beoogd om de voorheen bestaande praktijk, waarbij in veel gevallen een bestemming wordt gezocht voor een bepaalde locatie (bv. herbestemmen van een voormalige vuilstortplaats), om te vormen.

Beoordeling

Het voorliggende plangebied is niet gelegen in een gebied waarvoor van rijkswege een ruimtereservering geldt. Uitsluitend het nationale belang van een 'zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten', als vervat in de 'ladder voor duurzame verstedelijking', is van toepassing op het onderhavige bestemmingsplan. Aan dit belang wordt navolgend getoetst.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het onderhavige plangebied niet gelegen is in een gebied waarvoor van Rijkswege een ruimtereservering geldt. Aan de 'ladder voor duurzame verstedelijking' wordt navolgend getoetst.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), 2012

Toetsingskader

Het Rijk heeft in de hiervoor genoemde SVIR vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet. De SVIR bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op provinciaal en gemeentelijk niveau. Ten aanzien daarvan is een borging door middel van normstelling, gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening, gewenst. Die uitspraken onderscheiden zich in die zin dat van de provincies en de gemeenten wordt gevraagd om de inhoud daarvan te laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming. Zij zijn dus concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect door te werken tot op het niveau van de lokale besluitvorming, zoals de vaststelling van bestemmingsplannen.

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Op 30 december 2011 is het Barro in werking getreden met daarin een regeling voor een beperkt aantal onderwerpen. Op 1 oktober 2012 is het besluit aangevuld met regels voor de andere beleidskaders uit de SVIR en tevens uit het Nationaal Waterplan en het Derde Structuurschema Elektriciteitsvoorziening. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Een aantal onderwerpen is geregeld in de bij het Barro behorende Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro).

Beoordeling

Het plangebied is niet gelegen in een gebied waarvoor op basis van het Barro en het Rarro een ruimtereservering geldt. Daarnaast wordt niet in een ontwikkeling voorzien die raakt aan één van de nationale belangen.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het Barro en Rarro niet van toepassing zijn op onderhavig plan.

Ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6 lid 2 Bro), 2012

Toetsingskader

Met de inwerkingtreding op 1 oktober 2012 van art. 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) – de 'ladder voor duurzame verstedelijking' – geldt voor alle juridisch verbindende ruimtelijke plannen van decentrale overheden die (planologisch) nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken een bijzonder procesvereiste. Dit procesvereiste is gebaseerd op één van de nationale belangen als opgenomen in de SVIR, opgesteld door het Rijk. Dit nationale belang houdt in dat, ten behoeve van een goed systeem van ruimtelijke ordening, een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten plaats dient te vinden. Deze zorgvuldige afweging heeft tot doel om, vanuit een oogpunt van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, planologisch ongewenste versnippering en een onaanvaardbare leegstand te voorkomen. Het Rijk heeft er voor gekozen om, gedeeltelijk gebaseerd op de al langer geldende SER-ladder uit 1999, het procesvereiste vorm te geven als een determinerend-cumulatief werkende motivatieverplichting. De motivatieverplichting voor ruimtelijke besluiten, welke geldt voor de maximale planologische mogelijkheden inclusief flexibiliteitsinstrumenten (waarbij planologische saldering per definitie niet is toegestaan), bestaat uit drie eisen (treden):

  • 1. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;
  • 2. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;
  • 3. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

Beoordeling

Trede 1

Ten aanzien van de eerste trede dient primair te worden beoordeeld of de uitbreiding van de loods een stedelijke ontwikkeling betreft. Een stedelijke ontwikkeling wordt in artikel 1.1.1, lid 1, onder i van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) als volgt gedefinieerd: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Het onderhavige planvoornemen sluit binnen de bovenstaande definitie het meest aan bij de term 'bedrijventerrein'. Uit een tussenuitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) van 10 december 2014 (201308664/1/R4) is af te leiden dat het realiseren van 1.201 m² aan bedrijfsbebouwing op een bedrijventerrein als een stedelijke ontwikkeling wordt beschouwd. De onderhavige ontwikkeling gaat uit van de realisatie van 1.500 m² aan nieuwe bebouwing. Toetsing aan de ladder is derhalve verplicht, zodat aangetoond dient te worden dat het plan voorziet in een actuele regionale behoefte.

In het inleidende hoofdstuk is aangegeven dat de uitbreiding noodzakelijk is in verband met de groei van het bedrijf en met name de behoefte aan extra overdekte opslagcapaciteit. Deze behoefte is lokaal, maar ook een lokale behoefte aan een stedelijke ontwikkeling kan door de regio onderdeel worden gemaakt van de regionale behoefte. In dit geval is dat het geval vanuit het oogpunt van werkgelegenheid. De behoefte is tevens actueel en structureel, in die zin dat de bedrijfseconomische situatie vraagt om handelen op korte termijn, teneinde een meer efficiënte bedrijfsvoering te kunnen bewerkstelligen. De rommelige buitenopslag dient daarvoor plaats te maken voor geordende binnenopslag in de nieuwe loods.

Trede 2

De huidige locatie is de meest aangewezen plek om te voorzien in de geschetste behoefte aan binnenopslag. Het betreft bovendien enkel een uitbreiding van de bouwmogelijkheden op het bedrijfsperceel en niet van het bedrijfsperceel zelf, zodat in ruimtelijke opzicht sprake is van inbreiding. De momenteel aanwezige buitenopslag wordt feitelijk overkapt en efficiënter ingericht, waarmee de bestaande beschikbare gronden op het bedrijfsperceel beter worden benut. De verplaatsing van het bedrijf naar een industrieterrein of een locatie elders in Borkel met vergelijkbare bouw- en gebruiksmogelijkheden zou leiden tot kapitaalvernietiging en onevenredige bedrijfseconomische gevolgen voor het bedrijf met zich meebrengen. Een op een andere locatie in Borkel leegstaande loods van vergelijkbare omvang is oud en niet representatief voor de kwaliteit die Tilburgs Truck Parts wil uitstralen. Verplaatsing van het bedrijf naar deze locatie is dan ook geen wenselijke optie. Daarnaast zouden de eerder verleende vergunning voor uitbreiding van de loods en het verwerven van het voormalige bedrijf op nummer 21 bij een verplaatsing een weinig zinvolle investeringen zijn geworden. Er is gelet op het voorgaande een aantoonbare ruimtelijk-economische noodzaak voor uitbreiding van de bouwmogelijkheden ter plaatse.

In relatie tot het voorgaande wordt tevens verwezen naar een uitspraak van de ABRS van 23 april 2014 (201304503/1/R1). In deze uitspraak wordt ten aanzien van het aantonen van de behoefte aan uitbreiding van een bestaand bedrijf buiten bestaand stedelijk gebied eveneens geconcludeerd dat uitbreiding op de locatie waar dat bedrijf van oudsher is gevestigd niet onredelijk is, gelet op de nadelige effecten die een verplaatsing met zich mee zou brengen. De onderhavige situatie is hiermee in grote lijnen vergelijkbaar, waarmee de uitbreiding van de bouwmogelijkheden op het bestaande bedrijfsperceel ten behoeve van binnenopslag verantwoord is te noemen.

Trede 3

Aangezien bij trede 2 is beschreven dat de behoefte aan de uitbreiding kan worden opgevangen op het bestaande bedrijfsperceel door middel van inbreiding en dat dit ook de meest verantwoorde oplossing is om in de behoefte te voorzien, is toetsing aan de derde trede van de ladder niet van toepassing.

Conclusie

De ladder voor duurzame verstedelijking is van toepassing in onderhavig geval, waarbij is aangetoond dat sprake is van een actuele (regionale) behoefte, welke het best ter plaatse kan worden ingevuld. Daarmee voldoet het planvoornemen aan de eisen die de ladder stelt aan een dergelijke ruimtelijke ontwikkeling.

3.2 Provinciaal beleid

Structuurvisie Ruimtelijke Ordening (SVRO) – partiële herziening 2014, 2014

Toetsingskader

De Structuurvisie Ruimtelijke Ordening (SVRO) is vastgesteld door Provinciale Staten op 1 oktober 2010 en geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). Belangrijke beleidslijnen in de SVRO zijn het principe van concentratie van verstedelijking, zorgvuldig ruimtegebruik, verantwoord omgaan met de natuurlijke basis en het streven naar robuuste en aaneengeschakelde natuurgebieden. Sinds de vaststelling in 2010 hebben Provinciale Staten diverse besluiten genomen die een verandering brengen in de provinciale rol en sturing, of van provinciaal beleid. Deze besluiten zijn vertaald in de partiële herziening van de structuurvisie in 2014, vastgesteld op 7 februari 2014 en in werking getreden op 19 maart 2014. Op onder andere de volgende onderdelen vindt bijsturing van het beleid plaats: transitie van stad en platteland, intrekken reconstructie- en gebiedsplannen, groenbeleid, samenhangend beleid voor de ondergrond en de transitie naar een zorgvuldige veehouderij.

De, met de partiële herziening ongewijzigde, provinciale sturingsfilosofie is gebaseerd op vijf rollen: ontwikkelen, ordenen, beschermen, regionaal samenwerken en stimuleren. Twee rollen zijn relevant voor onderhavig plan: de ordenende en de beschermende rol. De ordenende rol gaat uit van het behartigen van ruimtelijke belangen en keuzes. Deze zijn geordend in vier ruimtelijke structuren. De structuren geven een hoofdkoers aan: een ruimtelijk ontwikkelingsperspectief voor een combinatie van functies. Maar ook waar functies worden uitgesloten of welke randvoorwaarden de provincie aan functies stelt. Binnen de structuren is ruimte voor regionaal maatwerk. De vier onderscheidende structuren zijn: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur. Het uitgangspunt van de beschermende rol is zorgvuldig ruimtegebruik. Bij ruimtelijke afwegingen betekent dat eerst gekeken wordt naar mogelijkheden voor intensivering of hergebruik op of binnen bestaand bebouwd gebied. De provincie wil nieuw stedelijk ruimtebeslag zoveel mogelijk voorkomen.

Beoordeling

Het plangebied is gelegen op het snijvlak van het bebouwde gebied van de kern Borkel en het omliggende landelijke gebied, dat een hoge landschappelijke en natuurlijke waarde heeft. De bedrijfsmatige functies zoals die binnen het plangebied worden uitgeoefend sluiten logischerwijs het meest aan bij die van de kern Borkel en wijzigen als gevolg van het planvoornemen niet wat betreft aard en omvang. De oppervlakte van het plangebied dat voor bedrijfsdoeleinden mag worden benut neemt juist af als gevolg van de ruimte die wordt benut voor de landschappelijke inpassing en het aanwijzen van een deel van het terrein als siertuin. De ontwikkeling heeft hoofdzakelijk een ruimtelijk component, waarbij de toename aan bebouwing mogelijk effecten uitoefent op de omliggende waarden. Deze effecten zullen, voor zover al aanwezig, echter minimaal zijn. Eerder is sprake van een verbetering, aangezien materialen die nu nog buiten zijn opgeslagen, voortaan inpandig zullen worden verhandeld. De effecten van de daarmee gepaard gaande activiteiten op de omgeving nemen daarmee af. Los hiervan wordt de nieuwe situatie landschappelijk ingepast, waarmee met name de momenteel diffuse en rommelige zuidoostelijke rand van het bedrijfsperceel een aanzienlijke ruimtelijke kwaliteitsverbetering ondergaat. Het plangebied vormt de geleding tussen het dorp en het buitengebied.afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPdorpsstraat19-VO01_0006.png"

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat de uitbreiding van de loods en de daarmee gepaard gaande landschappelijke inpassing passend is binnen het ruimtelijke ontwikkelingsperspectief van de verschillende structuren die in het plangebied samenkomen.

Verordening ruimte 2014, 2014

Inleiding

In de SVRO zijn de hoofdlijnen van het provinciale beleid voor de komende periode aangegeven. Daarin is voor de doelen en ambities die bereikt moeten worden per onderwerp aangegeven welke instrumenten de provincie wil inzetten. In een aantal gevallen is gekozen voor het instrument 'planologische verordening', bekend als Verordening ruimte. Op 7 februari 2014 is de Verordening ruimte 2014 (Vr 2014) vastgesteld door Provinciale Staten. Deze stelt regels aan onder meer de bundeling van stedelijke ontwikkeling, natuurontwikkeling, de ontwikkeling van intensieve veehouderijen, waterberging, cultuurhistorie en het agrarisch gebied. De Verordening ruimte 2014 is in werking getreden op 19 maart 2014.

De Verordening ruimte 2014 is opgebouwd volgens het principe van een bestemmingsplan. Dit houdt in dat er zowel 'gebiedsgerichte regels' zijn gesteld als 'algemene regels'. Bij de gebiedsgerichte regels is vervolgens een onderscheid gemaakt naar 'structuren' (basisregels) en 'aanduidingen' (aanvullende of afwijkende regels ten opzichte van de basisregels of andere aanduidingen). Tenslotte zijn er ook een aantal 'procedurele bepalingen'. Aan de hand van deze systematiek wordt onderstaand het plan voor de voorgenomen ontwikkeling getoetst aan de relevante onderdelen uit de Verordening ruimte 2014.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPdorpsstraat19-VO01_0007.png"

Hoofdstuk 3: Structuren

Artikel 4.1: Omschrijving bestaand stedelijk gebied

Toetsingskader

Om duidelijk te kunnen bepalen waar de bundelingsregels voor stedelijke ontwikkeling en de daarvan afgeleide regels van het beleid gelden is in de Verordening ruimte 2014 het bestaand stedelijke gebied van alle Brabantse kernen vastgesteld. Onder bestaand stedelijk gebied wordt verstaan: een aangewezen gebied dat het bestaande ruimtebeslag van een kern bevat ten behoeve van een samenhangende ruimtelijke structuur van stedelijke functies.

Beoordeling

Het zuidelijke gedeelte van het plangebied behoort grotendeels tot het bestaand stedelijk gebied. Hier bevinden zich de bestaande bedrijfswoning met siertuin alsmede de bedrijfsgebouwen, uitgezonderd de uit te breiden loods. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen betrekking op dit gebied. De huidige en toekomstige functies zoals die binnen dit gedeelte van het bedrijfsperceel worden uitgeoefend passen binnen de kaders van het bestaand stedelijk gebied en wijzigen niet.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het onderhavige planvoornemen niet strijdig is met de regels uit de Verordening ruimte 2014 aangaande het bestaand stedelijk gebied.

Artikel 5.1: Bescherming ecologische hoofdstructuur

Toetsingskader

Dit artikel regelt de planologische bescherming van de ecologische hoofdstructuur (EHS). Dit betreft een samenhangend netwerk van natuurgebieden van nationaal en internationaal belang met als doel de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten bestaande uit de meest waardevolle natuur- en bosgebieden en andere gebieden met belangrijke aanwezige en te ontwikkelen natuurwaarden. Zowel de wel als de nog niet gerealiseerde delen van de EHS vallen onder dit artikel, waarbij geldt dat zolang de ecologische hoofdstructuur niet is gerealiseerd, de bestaande bebouwing en de bestaande planologische gebruiksactiviteit zijn toegelaten.

Beoordeling 

Binnen het plangebied is de bosstrook aan de voorzijde aangewezen als EHS. Dit betreft een reeds gerealiseerd gedeelte van de EHS, dat als gevolg van het planvoornemen niet wijzigt en van een beschermende natuurbestemming wordt voorzien, conform het bepaalde in artikel 5.1. Het planvoornemen legt geen beperkingen op aan het onderhoud of de verdere ontwikkeling van de bosstrook en hier wordt geen bebouwing opgericht. Met betrekking tot het in beeld brengen van de effecten van het planvoornemen op de EHS wordt voorts verwezen naar paragraaf 4.2.3, waarin het aspect flora en fauna aan de orde komt.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het planvoornemen niet strijdig is met het beleid ten aanzien van de EHS.

Artikel 7.10: Niet-agrarische functies in gemengd landelijk gebied

Toetsingskader

De uitbreiding van de loods is volledig gelegen binnen het gemengd landelijk gebied en is gelet op de aard van de bedrijvigheid gerelateerd aan de gemengde plattelandseconomie. Het bedrijf en de gewenste uitbreiding zijn niet-agrarische economische dragers ten behoeve van een vitaal platteland. In artikel 7.1 is aangegeven dat in het landelijk gebied de provincie het mengen van functies voor een sterke plattelandseconomie stimuleert. Hierbij is vooral de ontwikkeling van landbouw van belang, naast andere vormen van bedrijvigheid, natuur, landschap, recreatie en wonen. De Verordening geeft geen nadere definities van deze ontwikkellijnen, zodat er ruimte is voor lokaal beleid. De aanduiding van een gebied als gemengde plattelandseconomie impliceert meer ruimte voor niet-agrarische functies. Het gaat daarbij onder andere om het zoeken naar nieuwe economische dragers voor een vitaal platteland.

In lid 2 van artikel 7.10 wordt aan bestaande niet-agrarische functies de mogelijkheid geboden van een redelijke uitbreiding. Deze redelijke uitbreiding geldt voor alle bestaande niet-agrarische functies; dus ook indien de functie niet (meer) past binnen de voorwaarden die in het eerste lid van dit artikel zijn gesteld, zoals een bedrijf waarvan de omvang groter is dan 5.000 m². Wat in een concrete situatie redelijke uitbreiding is betreft maatwerk. Om iedere discussie uit te sluiten is duidelijk aangegeven in de regels dat de redelijke uitbreiding zowel betrekking heeft op de omvang van de functie als het aantal bezoekers van die functie. Deze dubbele afweging is gevraagd om te voorkomen dat er ingeval van een redelijke uitbreiding tevens omschakeling plaatsvindt van een bezoekersextensieve functie naar een bezoekersintensieve functie. Voor bedrijven waarvoor vestiging op een bedrijventerrein wordt nagestreefd dient in de regels een verantwoording te worden opgenomen die vergelijkbaar is met de uitbreiding van bedrijven boven de 5.000 m² in kernen in het landelijk gebied, zoals opgenomen in artikel 4.6 tweede lid. Hierbij wordt inzicht gevraagd in de ruimtelijk-economische noodzaak van de uitbreiding en de (on-) mogelijkheid tot verplaatsing naar een bedrijventerrein of elders binnen bestaand stedelijk gebied.

Beoordeling

Het onderhavige bedrijfsperceel is met een oppervlakte van circa 16.500 m² (of circa 13.500 m² wanneer puur naar de bedrijfsdoeleinden wordt gekeken) in de bestaande situatie reeds groter dan 5.000 m². Als gevolg van het planvoornemen neemt de oppervlakte van het bedrijfsperceel echter niet toe. Het betreft een interne uitbreiding, waarbij slechts de oppervlakte aan bebouwing toeneemt. De huidige loods heeft een oppervlakte van circa 1.500 m² en wordt uitgebreid naar circa 3.000 m². De nieuwe loods zal in beginsel primair worden benut voor de inpandige opslag van materialen, die nu nog grotendeels buiten zijn opgeslagen. In een later stadium zal een gedeelte van de productie wellicht naar de nieuwe loods worden verplaatst om een meer efficiënt productieproces te bewerkstelligen, echter daar zijn nu nog geen concrete plannen voor. Het deel van het bedrijf waar de productie plaatsvindt heeft reeds milieucategorie 3.2, hetgeen als gevolg van de uitbreiding van de loods niet wijzigt. De milieueffecten van het bedrijf op de omgeving (overwegend geluid) zullen waarschijnlijk juist afnemen, aangezien de inpandige opslag voor veel minder overlast zorgt naar de omgeving toe dan de huidige buitenopslag. Daarnaast wordt een deel van het bedrijfsperceel niet als zodanig benut, maar als siertuin bij de bedrijfswoning. Door middel van dit bestemmingsplan wordt dit gebruik als siertuin planologisch vastgelegd, waarbij is bepaald dat bedrijfsactiviteiten ter plaatse niet zijn toegestaan. Dit leidt er toe dat de oppervlakte van het perceel dat voor bedrijfsdoeleinden kan worden, nog kleiner wordt dan in de huidige situatie. Deze afname aan oppervlakte is bedrijfstechnisch overigens alleen mogelijk wanneer de uitbreiding van de loods wordt gerealiseerd. Ten behoeve van de interne opslag is (door gebruik van stellingen) minder ruimte nodig dan bij buitenopslag het geval is. Dit leidt tot de situatie dat de groei van het bedrijf niet gepaard gaat met een toename aan vierkante meters bedrijfsvloeroppervlak, maar juist met een afname. Er is derhalve sprake van zorgvuldig ruimtegebruik en daarmee van een uitbreiding die in redelijke omvang staat tot de bestaande situatie. De ontwikkeling brengt bovendien geen significante toename aan bezoekers met zich mee. De uitbreiding is immers in beginsel niet gericht op het verhogen van de productie, maar op het voorzien in interne opslagruimte ten behoeve van de huidige productie. Deze opslag vindt momenteel plaats op het buitenterrein en levert een rommelige situatie op.

Gelet op het bepaalde in artikel 4.6 (Aanvullende regels voor bedrijven in kernen in landelijk gebied) kan voorts worden gesteld dat de verplaatsing van het bedrijf naar een industrieterrein of een locatie elders in Borkel (voor zover al beschikbaar) met vergelijkbare bouw- en gebruiksmogelijkheden zou leiden tot kapitaalvernietiging en onevenredige bedrijfseconomische gevolgen voor het bedrijf met zich meebrengen. Daarnaast zouden de eerder verleende vergunning voor uitbreiding van de loods en het aankopen van het voormalige bedrijf op nummer 21 bij een verplaatsing een weinig zinvolle investeringen zijn geworden. Er is gelet op het voorgaande een aantoonbare ruimtelijk-economische noodzaak voor uitbreiding ter plaatse.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling voorziet in een redelijke uitbreiding van de bestaande loods en dat verplaatsing van het bedrijf geen haalbare optie is. De uitbreiding ter plaatse is daarmee verantwoord en in lijn met de eisen die in de Verordening ruimte 2014 aan een dergelijke ontwikkeling worden gesteld.

Hoofdstuk 4: Aanduidingen

Artikel 12.1: Attentiegebied ecologische hoofdstructuur

Toetsingskader

Over het gedeelte van het plangebied dat niet behoort tot het bestaand stedelijk gebied (of de EHS) ligt de aanduiding 'Attentiegebied ecologische hoofdstructuur'. Stromingen in het grondwatersysteem kunnen veranderen door verandering van bodemopbouw of het doorboren van lagen (bij grondverzet of diepploegen). Voor activiteiten die een negatief effect op de (grond)waterstand in een natte natuurparel kunnen hebben, is een vergunning nodig. In het derde lid van dit artikel is opgenomen dat het waterschap betrokken wordt bij de beoordeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning.

Beoordeling

Op de uitbreiding van de loods zijn de bepalingen uit artikel 12.1 van toepassing, aangezien het plan gepaard gaat met een fysieke ingreep die gelet op de omvang mogelijk effecten heeft op de waterhuishouding ter plaatse. Om die reden zijn de voorwaarden zoals genoemd in dit artikel overgenomen in de regels van het bestemmingsplan. Daarmee zijn de belangen van het attentiegebied gewaarborgd.

Conclusie

Door middel van het opnemen van een gebiedsaanduiding waaraan een beschermende regeling is gekoppeld, worden de belangen van het attentiegebied EHS gewaarborgd binnen het plangebied. Daarmee vormt het attentiegebied geen belemmering voor het plan.

Hoofdstuk 2: Algemene regels

Artikel 3.1: Zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit

Toetsingskader

Een ruimtelijk plan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied moet bijdragen aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving, in het bijzonder aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Het gaat hier om vier aspecten:

  • a. toepassing van het principe van zorgvuldig ruimtegebruik;
    Het provinciale beleid is al jaren gericht op het bundelen van de verstedelijking en het streven naar zorgvuldig ruimtegebruik. De provincie wil daarmee de groei en de spreiding van het stedelijk ruimtebeslag afremmen en de huidige omvang van het landelijk gebied zoveel mogelijk behouden. Op basis van art. 3.1 Vr 2014 dient een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied bij te dragen aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving, in het bijzonder aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Uitbreiding van het op grond van het geldende bestemmingsplan toegestane ruimtebeslag is slechts toegestaan mits de financiële, juridische of feitelijke mogelijkheden ontbreken om de beoogde ruimtelijke ontwikkeling binnen dat toegestane ruimtebeslag te doen plaatsvinden. Daarnaast wordt de 'ladder voor duurzame verstedelijking' als vastgelegd in art. 3.1.6 lid 2 Bro van overeenkomstige toepassing verklaard.
  • b. gevolgen ontwikkeling voor het plangebied en omgeving;
    In het bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de gevolgen van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling voor de in het plan begrepen gronden en de naaste omgeving, in het bijzonder wat betreft de bodemkwaliteit, de waterhuishouding, de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, de cultuurhistorische waarden, de ecologische waarden, de aardkundige waarden en de landschappelijke waarden alsmede de op grond van deze verordening toegelaten ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden.
  • c. passendheid omvang beoogde bebouwing in de omgeving;
    De omvang van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling, in het bijzonder wat betreft de omvang van de beoogde bebouwing, dient te passen in de omgeving.
  • d. afwikkeling van personen en goederenvervoer.
    Een op de beoogde ruimtelijke ontwikkeling afgestemde afwikkeling van het personen- en goederenvervoer, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor, waaronder ook openbaar vervoer, dient te zijn verzekerd.

Beoordeling

Bij toetsing aan de vier aspecten van de zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit kan het volgende worden gesteld:

  • a. toepassing van het principe van zorgvuldig ruimtegebruik;
    Het principe van zorgvuldig ruimtegebruik is van Rijkswege vastgelegd in de 'ladder voor duurzame verstedelijking'; het beleid van de provincie Noord-Brabant hieromtrent is overeenkomstig de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Zo komt de bepaling 'toename van het ruimtebeslag is slechts toegestaan indien financiële, juridische of feitelijke mogelijkheden om de beoogde ruimtelijke ontwikkeling binnen dat toegestane ruimtebeslag te doen plaatsvinden' overeen met de tweede trede van de 'ladder', welke handelt over de 'benutting van beschikbare gronden binnen bestaand stedelijk gebied', alvorens buiten het bestaand stedelijke gebied een nieuwe stedelijke ontwikkeling plaats kan vinden. Aan de 'ladder voor duurzame verstedelijking' is in paragraaf 3.1 van deze toelichting getoetst.
  • b. gevolgen ontwikkeling voor het plangebied en omgeving;
    Toetsing van het planvoornemen aan de fysieke milieuwaarden en de historische kwaliteit van het plangebied en de (directe) omgeving vindt plaats in de paragrafen 4.3 en 4.4 van deze toelichting.
  • c. passendheid omvang beoogde bebouwing in de omgeving;
    De uitbreiding van de bebouwing in het plangebied komt in het kort neer op het dupliceren van de bestaande loods van 1.500 m² direct ten zuidoosten daarvan, zowel wat betreft vormgeving als maatvoering. De bestaande en nieuwe loods samen worden daarmee 3.000 m² groot. De uitbreiding is even hoog als de bestaande loods (circa 8,5 meter) en vindt plaats aan de achterzijde daarvan. Daarmee is de nieuwe bebouwing vanaf het aangrenzende bosgebied niet of nauwelijks zichtbaar. Het perceel is aan de zijde van de weg reeds door middel van de bestaande bosstrook van het zicht afgeschermd. Ten behoeve van de visuele afscherming aan de zuidoostzijde (zicht vanaf het dorp), wordt hier een hakhoutsingel aangelegd. De ruimtelijke impact van de nieuwe bebouwing is daarmee minimaal. In hoofdstuk 5 wordt nader ingegaan op de stedenbouwkundige en landschappelijke inpassing van de nieuwe loods.
  • d. afwikkeling van personen en goederenvervoer.
    De afwikkeling van personen en goederen van en naar het bedrijfsperceel wijzigt niet als gevolg van het planvoornemen, aangezien het de uitbreiding betreft van een bestaande loods ten behoeve van opslag van materialen die momenteel buiten zijn opgeslagen. Evenmin leidt het plan er toe dat een significante toename aan verkeerbewegingen ontstaat. Eerder zal sprake zijn van een afname aan transportbewegingen, aangezien de inpandige opslag er toe leidt dat de geproduceerde materialen niet direct hoeven te worden afgevoerd, voor zover deze niet buiten kunnen worden opgeslagen. Vrachtbewegingen kunnen derhalve voortaan gecombineerd plaatsvinden.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het onderhavige plan bijdraagt aan de zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit buiten het bestaand stedelijk gebied en hiermee passend is in het provinciale beleid.

Artikel 3.2: Kwaliteitsverbetering van het landschap

Toetsingskader

De Verordening ruimte stelt dat een ruimtelijk plan als bedoeld in artikel 3.2 van de Vr 2014 een verantwoording dient te bevatten van de wijze waarop financieel, juridisch en feitelijk is verzekerd dat de realisatie van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied waarop de ontwikkeling haar werking heeft of van het gebied waarvan de gemeente voorgenomen ontwikkeling in hoofdlijnen heeft beschreven. Indien een fysieke kwaliteitsverbetering, zoals hierboven beschreven, niet mogelijk is of op zichzelf niet voldoende is, dient te worden verzekerd dat een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds wordt gedaan en dat over de werking van dat fonds regelmatig verslag wordt gedaan in het ruimtelijke regionaal overleg.

Beoordeling 

Aangezien in onderhavig geval sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling (in de vorm van bouwactiviteiten) buiten bestaand stedelijk gebied, is een kwaliteitsverbetering zoals bedoeld in dit artikel noodzakelijk. De kwaliteitsverbetering van het landschap wordt doorgaans bepaald op 20% van de waardevermeerdering van de beoogde ontwikkeling. Dit bedrag moet worden geïnvesteerd in landschappelijke inpassing van het perceel, en wanneer dit niet mogelijk is in verbetering van de landschappelijke kwaliteit in de omgeving of in een fonds. De taxatie van de waardevermeerdering als gevolg van het planvoornemen zal door de gemeente Valkenswaard worden uitgevoerd op basis van het (concept) voorontwerp bestemmingsplan.

Gestreefd wordt om de kwaliteitsverbetering van het landschap geheel op eigen terrein plaats te laten vinden. Mocht de waardevermeerdering van de ontwikkeling op een hoger bedrag getaxeerd worden, dan zal het tekort gestort worden in het gemeentelijk ontwikkelingsfonds voor het landschap. In onderhavig geval wordt een hakhoutsingel van 629 m² aangelegd aan de zuidoostzijde van het bedrijfsperceel. Deze inpassing dient meerdere doelen. Enerzijds wordt met de toevoeging van de houtsingel het zicht vanuit de omgeving op de loods beperkt. Anderzijds wordt de landschappelijke structuur zoals voorgesteld in het landschapsontwikkelingsplan versterkt door de toevoeging van de singel. Er vindt diversificatie van soorten plaats doordat de singel gebruikt maakt van diverse inheemse soorten (gekenmerkt door het Eiken-Berkenbos). Ook wordt hiermee de natuurlijke overgang van het dennenhout naar de beekdalvegetatie bewerkstelligd.

In Bijlage 1 bij deze toelichting is het opgestelde landschappelijk inpassingsplan gevoegd, vergezeld van een toelichting waarin de inpassing nader wordt omschreven en waarin de kosten van de invulling van de hakhoutsingel en de plankosten inzichtelijk zijn gemaakt.

Conclusie

Voldaan wordt aan de als gevolg van het planvoornemen benodigde kwaliteitsverbetering van het landschap. Mocht uit de taxatie door de gemeente blijken dat de maatregelen uit het landschappelijk inpassingsplan op zich onvoldoende zijn om de waardevermeerdering te compenseren, dan zal het tekort worden verrekend door middel van een financiële bijdrage in het gemeentelijk ontwikkelingsfonds voor het landschap.

3.3 Gemeentelijk beleid

Structuurvisie Valkenswaard Deel A en Deel B, 2012

Toetsingskader

In artikel 2.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is opgenomen dat de gemeenteraad ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening voor het gehele grondgebied van de gemeente één of meerdere structuurvisies vaststelt. Op 2 juli 2012 heeft de raad van de gemeente Valkenswaard de Structuurvisie Valkenswaard, deel A vastgesteld. Deel A bevat een ruimtelijk toetsingskader en visie op hoofdlijnen voor de langere termijn. Op 28 november 2013 heeft de raad van de gemeente Valkenswaard de Structuurvisie Valkenswaard, deel B vastgesteld. Deel B bevat een ruimtelijk en functioneel programma met een uitvoeringsparagraaf voor de korte (en middellange) termijn.

Valkenswaard heeft een toekomstvisie opgesteld. Hiermee geeft ze richting aan de toekomst van Valkenswaard naar 2030. De wijze hoe daar ruimtelijk invulling aan wordt gegeven staat in de structuurvisie in verschillende thema's beschreven. De thema's zijn bestuur, wonen, werken, vrije tijd en welzijn. Deze thema's zijn met elkaar verweven. Ook is het van belang om bij toepassing van de thema's rekening te houden met verschillen tussen gebieden. Er is een onderscheid gemaakt tussen de volgende typen gebieden: het stedelijk gebied, de uitbreidingen en het buitengebied. Voor ieder van de onderscheiden gebieden meet de gemeente zich een andere regierol aan. De gemeente hanteert de volgende regierollen:

  • basisbeleid: dit zijn ontwikkelingen die mogelijk moeten zijn;
  • ambitie: dit zijn ontwikkelingen die de gemeente wil realiseren;
  • kansen benutten: dit zijn ontwikkelingen die zouden moeten kunnen;
  • voorkomen: dit zijn ontwikkelingen die de gemeente wil voorkomen.

Beoordeling

Het voorliggende bestemmingsplan maakt de uitbreiding van een bestaande loods mogelijk op het bedrijfsperceel aan de Dorpsstraat 19 in Borkel. Het thema 'Werken' uit deel A van de structuurvisie is van toepassing. De gemeente richt zich in haar visie voor bedrijvigheid met name op de grotere bedrijventerreinen en op startende ondernemers. Ten aanzien van bestaande ondernemers blijft het belangrijk voor de economische ontwikkeling van Valkenswaard om ruimte te creëren voor ondernemerschap en werkgelegenheid in de betreffende sector. Het gaat daarbij vooral om het kunnen voorzien in de behoefte aan ruimte van al in Valkenswaard gevestigde bedrijven. Het planvoornemen is een voorbeeld van een ontwikkeling waarbij ruimte wordt geboden aan een bestaand bedrijf in de gemeente. De benodigde ruimte voor uitbreiding wordt daarbij intern opgelost (zorgvuldig ruimtegebruik).

In Deel B van de structuurvisie komt naar voren welke instrumenten de gemeente Valkenswaard wil gebruiken om het ruimtelijke beleid uit Deel A te realiseren. Ten aanzien van het planvoornemen is met name het gestelde in hoofdstuk 5 van Deel B over kwaliteitsverbetering van het landschap van belang. In de vorige paragraaf is reeds behandeld op welke wijze de benodigde kwaliteitsverbetering tot stand wordt gebracht.

Conclusie

Het onderhavige plan is passend binnen de beleidskaders uit de Structuurvisie Valkenswaard.

Beleidsnota Parkeernormering Gemeente Valkenswaard, 2008

Toetsingskader

In de Beleidsnota Parkeernormering, vastgesteld op 19 oktober 2008, heeft de gemeente Valkenswaard het parkeerbeleid vastgelegd. Voor elke locatie binnen de gemeente is helder gemaakt welke parkeernorm voor welk type voorziening van toepassing is. Doel van het stellen van een parkeernorm is het voorkomen of oplossen van parkeerproblemen aan het begin van de planvorming. Door het hanteren van de normen ontstaat inzicht in de parkeerbehoefte en kan op voorhand een ruimtelijk, economisch en verkeerskundig kader worden geschetst. Het plangebied maakt deel uit van het gebied dat als 'rest bebouwde kom' is aangeduid. Voor arbeidsextensieve/bezoekersextensieve bedrijven (loods, opslag, groothandel, transportbedrijf, etc.) geldt een parkeernorm van 0,85 parkeerplaatsen per 100 m² bedrijfsvloeroppervlak (BVO). Daarbij is uitgegaan van een aandeel bezoekers van 5% en per arbeidsplaats een behoefte van 25 tot 35 m² aan BVO.

Beoordeling

De nieuwe en bestaande loods hebben samen met de overige bedrijfsbebouwing een bedrijfsvloeroppervlakte van circa 4.150 m². Dit leidt tot een behoefte aan (4.150/100 x 0,85 ˜ 35,3 =) 36 parkeerplaatsen. Op het perceel is reeds een parkeerterrein aanwezig met een oppervlakte van circa 650 m². Dit is ruim voldoende om de 35 parkeerplaatsen (elk circa 10 m² groot) met bijbehorende ontsluiting aan te leggen. De situering en omvang van het parkeerterrein, alsmede de verplichting om te voldoen aan de parkeernormen uit de beleidsnota, zijn in de regels juridisch verankerd.

Conclusie

Binnen het plangebied is voldoende parkeergelegenheid aanwezig. Voldaan kan worden aan de parkeernorm uit de beleidsnota.

Beeldkwaliteit in het vizier, Welstandsnota 2004, 2004

Toetsingskader

Voor de gemeente Valkenswaard is een welstandsnota opgesteld die als wettelijke basis dient

voor het welstandsbeleid binnen de gemeente. De welstandsnota Valkenswaard is vastgesteld in juni 2004. In de welstandsnota is Valkenswaard ingedeeld in een aantal clusters van gebieden, te weten centra, historische gegroeide gebieden, planmatig ontworpen woongebieden, bedrijfs- en voorzieningenlocaties en groengebieden.

Beoordeling

Onderhavig bestemmingsplan behoort tot de historisch gegroeide gebieden, meer specifiek het historische dorpsgebied 'Dorpsstraat Borkel en Schaft'. Ten aanzien van de welstandcriteria die gelden voor dit gebied, zijn in onderhavig geval met name de criteria voor bouwwerken op zichzelf:

  • Bij renovatie of (vervangende) nieuwbouw is het van belang te streven naar zorgvuldige inpassingen tussen de bestaande bebouwing en dient het bouwwerk zich te conformeren aan de bouwstijl en materialisering van de naastgelegen bebouwing;
  • De bouwhoogte, kapvorm en kaprichting afstemmen op de belendende bebouwing en aansluiten op de ritmiek en het (cultuurhistorisch) karakter daarvan;
  • Zijgevels die, als gevolg van het slingerende verloop van de straten,duidelijk zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte dienen als voorzijden te worden behandeld;
  • Verspringingen in goothoogte zijn wenselijk binnen de bestaande uitersten van de belendende bebouwing;
  • Oorspronkelijke (verticale) gevelindelingen behouden en waar mogelijk herstellen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPdorpsstraat19-VO01_0008.png"

De uitbreiding van de loods komt in feite neer op het dupliceren van de bestaande loods, zowel wat betreft vormgeving als positionering en maatvoering. Daarmee sluit de uitbreiding optimaal aan bij de bestaande loods en heeft deze een zo minimaal mogelijke impact op de omgeving.

Conclusie

De uitbreiding van de loods voldoet aan de welstandscriteria die hiervoor gelden.

Hoofdstuk 4 BESTAANDE SITUATIE

4.1 Bestaande ruimtelijke en functionele kwaliteit

De bestaande ruimtelijke en functionele situatie binnen het plangebied wordt bepaald door zowel de bebouwde als de onbebouwde ruimte. Wat betreft bebouwing is een onderscheid te maken tussen de bebouwing gelegen direct aan de Dorpsstraat en de loods op het achterterrein. De bebouwing aan de weg bestaat uit de bedrijfswoning en de kleinschalige bedrijfspanden die enkele jaren geleden bij het bedrijfsperceel zijn getrokken. Deze bebouwing sluit wat betreft positionering en maatvoering aan bij de overige (lint)bebouwing aan de Dorpsstraat. De loods heeft een grotere omvang en is tevens anders gepositioneerd dan de bebouwing direct aan de weg. Doordat de loods echter diep op het perceel ligt, heeft dit geen nadelig effect op de ruimtelijke karakteristiek van de Dorpsstraat.

Ten aanzien van de onbebouwde ruimte kan een onderscheid worden gemaakt in de ruimte voor de buitenopslag, de siertuin bij de bedrijfswoning, het parkeerterrein en de groene omkadering, waaronder de bosstrook aan de voorzijde. De ruimte die voor buitenopslag wordt gebruikt bevindt ter hoogte van de bestaande loods en maakt een rommelige indruk. Dit beeld wordt versterkt door het feit dat de overgang tussen het bedrijfsperceel en de aangrenzende agrarische gronden aan de zuidoostzijde diffuus is. De bij de bedrijfswoning in gebruik zijnde siertuin is samen met het parkeerterrein en de inrit gelegen in de zuidwesthoek van het plangebied en geeft dit gedeelte een verzorgde indruk. Ook de aan de zijde van de weg gelegen bosstrook draagt samen met de groene zones aan de noord- en westzijde bij aan dat beeld.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPdorpsstraat19-VO01_0009.png"

4.2 Fysieke milieuwaarden

Met betrekking tot een (ontwerp-)bestemmingsplan staat in artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht vermeld: 'bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen'. Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat rekening moet worden gehouden met de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek. Daarnaast moet ook worden getoetst aan het Besluit m.e.r.

In deze paragraaf worden achtereenvolgens behandeld:

  • bodem;
  • waterhuishouding;
  • flora en fauna;
  • bedrijven en milieuzonering;
  • externe veiligheid;
  • kabels en leidingen;
  • luchtkwaliteit;
  • vormvrije m.e.r.-beoordeling.

De aspecten die raken aan de historische kwaliteit van het plangebied, cultuurhistorie en archeologie, worden behandeld in paragraaf 4.3.

4.2.1 Bodem

Toetsingskader

Het landelijk beleid gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. Met andere woorden, de bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem. De gewenste functie bepaalt als het ware de gewenste bodemkwaliteit. Voor alle bestemmingen waar een functiewijziging of herinrichting wordt voorzien, dient de bodemkwaliteit door middel van een bodemonderzoek in beeld te worden gebracht. Indien op grond van historische informatie blijkt dat in het verleden bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden, dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Op basis van de onderzoeksresultaten kan vervolgens worden nagegaan of er vervolgmaatregelen getroffen moeten worden, zoals een nader onderzoek of eventueel een (functiegerichte) sanering.

Beoordeling

In onderhavig geval wordt een nieuw gebouw opgericht waar personen 8 uur per dag of langer kunnen verblijven, op een locatie waar sinds jaren bedrijfsmatige activiteiten plaatsvinden. Gelet hierop en tevens ten behoeve van de uiteindelijke bouwaanvraag, is door Econsultancy in 2014 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie waar de uitbreiding van de loods is voorzien.

Uit de analyse van de grondboringen blijkt dat gezien het nagenoeg ontbreken van verontreinigingen in de grond, er geen reden voor een nader onderzoek bestaat. Er bestaan met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem dan ook geen belemmeringen voor de nieuwbouw op de onderzoekslocatie. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast.

De onderzoeksrapportage van het verkennend bodemonderzoek (rapportnummer 14043335, versie D1, 19 december 2014), met daarin de volledige onderzoeksresultaten en uitgebreide conclusies, is als Bijlage 2 bij deze toelichting opgenomen.

Conclusie

De bodemkwaliteit van de locatie waar de uitbreiding van de loods is voorzien vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

4.2.2 Waterhuishouding

Toetsingskader

De laatste jaren dient in ruimtelijke plannen steeds meer aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. De integratie van water in ruimtelijke plannen wordt landelijk ondersteund. In de Startovereenkomst Waterbeleid 21e eeuw tussen rijk, provincies, Waterschappen en gemeenten (d.d. 14 februari 2001) is overeengekomen dat vanaf de ondertekening van deze overeenkomst op alle voor de waterhuishouding relevante nieuwe ruimtelijke plannen een zogenaamde watertoets uitgevoerd dient te worden. Concreet betekent de invoering van de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.6 lid 1, sub b Bro.

Voor de gemeente Valkenswaard is Waterschap De Dommel de voerende kwaliteits- en kwantiteitsbeheerder. Inrichtingen van waterhuishoudingen voor ruimtelijke plannen worden door deze instantie getoetst en gekeurd. Voor nieuwbouw geldt dat het 'schone' regenwater van het 'vuile' huishoudelijke afvalwater gescheiden opgevangen en verwerkt dient te worden. Het huishoudelijke afvalwater dient in overleg met de gemeente Valkenswaard aangesloten te worden op een bestaand rioolstelsel in de omgeving van de planontwikkeling. Voor het 'schone' regenwater gelden de hoofdbeleidsregels die zijn vastgelegd in het Waterbeheerplan 2010-2015 'krachtig water'. Dit waterbeheerplan beschrijft de doelen en inspanningen van Waterschap De Dommel voor de periode 2010-2015. Hierin wordt een indeling in de volgende thema's gemaakt:

  • droge voeten;
  • voldoende water;
  • natuurlijk water;
  • schoon water;
  • schone waterbodem;
  • mooi water.

Voor het thema 'droge voeten' brengt het waterschap gestuurde waterbergingsgebieden aan, zodat de kans op regionale wateroverlast in 2015 in bebouwd gebied en een deel van de kwetsbare natuurgebieden acceptabel is. In beekdalen die in zeer natte perioden van oudsher overstromen, past het waterschap geen overstromingsnorm toe. Voor 'voldoende water' stelt het waterschap de plannen voor het gewenste grond- en oppervlakteregime (GGOR) in zowel landbouw- als natuurgebieden uiterlijk in 2015 vast. Met de realisatie van maatregelen in de belangrijkste verdroogde natuurgebieden (Topgebieden) gaat het waterschap stevig aan de slag. Voor het thema 'natuurlijk water' richt het waterschap de inrichting en het beheer van haar watergangen op het halen van de ecologische doelen uit de Europese Kaderrichtlijn Water en de functies 'waternatuur' en 'verweven' uit het Provinciaal Waterplan. Om deze doelen te halen gaat het waterschap verder met beekherstel, de aanleg van ecologische verbindingszones en het opheffen van barrières voor vismigratie. Deze maatregelen voert het waterschap zoveel mogelijk uit per gebied, in één samenhangend maatregelenpakket met herstel van Topgebieden en verbetering van de water(bodem)kwaliteit. Voor 'schoon water' zet het waterschap het proces van samenwerking met gemeenten in de waterketen door.

In samenwerking met Waterschap Aa en Maas heeft Waterschap De Dommel een definitie en randvoorwaarden opgesteld voor het hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO). In principe heeft elke ruimtelijke ontwikkeling invloed op de hydrologie. De beleidsterm hydrologisch neutraal heeft dan ook vooral betrekking op het zo veel mogelijk (binnen de ontwikkeling) neutraliseren van de negatieve hydrologische gevolgen van toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen. Ieder ruimtelijke ontwikkelingsplan is uniek. De toetsing van ruimtelijke ontwikkelingsplannen is dan ook maatwerk. Niet in alle gevallen zullen de algemeen geformuleerde normen toereikend zijn voor de toetsing. In de eerste instantie wordt getoetst op de aspecten en normen die hieronder zijn weergegeven:

  • er is geen toe- of afname van de afvoer op de rand van het plangebied;
  • er mogen geen veranderingen van oppervlaktewaterstanden optreden op de grens van
  • het plangebied en daarbuiten;
  • er mag geen overlast optreden door extreme gebeurtenissen;
  • de omvang van grondwateraanvulling blijft gelijk;
  • er mogen geen veranderingen van grondwaterstanden optreden op de grens van het plangebied en daarbuiten.

De gemeente Valkenswaard heeft een Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2013-2017 (vGRP) opgesteld. Vanaf 1 januari 2008 is de gemeente belast met de volgende 3 zorgplichten, waarvan de zorgplicht hemelwater en grondwater nieuw zijn: inzameling en transport van stedelijk afvalwater, inzameling en verwerking van overtollig hemelwater en inzameling en verwerking van overtollig grondwater.

Beoordeling

In de huidige situatie is de locatie waar de uitbreiding van de loods is voorzien reeds volledig verhard. Als gevolg van de bouw van de loods vindt dan ook geen toename plaats van verhard oppervlak. Evengoed dient bij nieuwe ontwikkelingen inzichtelijk te worden gemaakt op welke wijze wordt omgegaan met het van verhard oppervlak afstromende hemelwater. Gelet hierop is door Econsultancy in 2014 de watertoets doorlopen voor het planvoornemen.

De conclusie die uit de watertoets naar voren komt is dat op basis van de in de rapportage van de watertoets genoemde randvoorwaarden en uitgangspunten (onder andere ten aanzien van de waterbergingsopgave) de ontwikkeling in zowel ruimte als tijd waterneutraal is uit te voeren. Er worden dan ook vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmering verwacht voor de bestemmingswijziging.

De volledige rapportage van de watertoets (rapportnummer 14043336, versie D1, 19 december 2014), met daarin alle randvoorwaarden en uitgangspunten ten behoeve van een waterneutrale ontwikkeling, is als Bijlage 3 bij deze toelichting opgenomen.

Conclusie

Uit de watertoets blijkt dat vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmering worden verwacht voor de bestemmingswijziging.

4.2.3 Flora en fauna

Toetsingskader

De natuurbescherming in Nederland valt uiteen in twee verschillende aspecten: gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebieden kunnen beschermd zijn doordat ze zijn opgenomen in de Natuurbeschermingswet 1998. Vanaf begin oktober 2005 zijn hierin ook alle Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijn-gebieden opgenomen als Natura 2000-gebieden. Activiteiten die van invloed kunnen zijn op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied moeten door Gedeputeerde Staten beoordeeld worden alvorens een vergunning voor de activiteit kan worden verleend. Dit geldt dus ook voor activiteiten die plaatsvinden buiten de beschermde gebieden. Van deze activiteiten moet worden bepaald of er sprake is van externe werking of cumulatie. Bij een vergunningsaanvraag is een zogenaamde passende beoordeling of een verstorings- of verslechteringstoets gewenst. Daarnaast kunnen gebieden zijn opgenomen in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS).

Ten aanzien van de bescherming van soorten worden een aantal zeldzame en/of kwetsbare plant- en diersoorten door de Flora- en faunawet beschermd. De doelstelling van de wet is de bescherming en het behoud van de gunstige staat van instandhouding van de in het wild levende planten- en diersoorten. Het uitgangspunt van de wet is 'nee, tenzij'. Dit betekent dat activiteiten met een schadelijk effect op beschermde soorten in principe verboden zijn. Van het verbod op schadelijke handelingen ('nee') kan onder voorwaarden ('tenzij') worden afgeweken, met een ontheffing of vrijstelling. Het verlenen hiervan is de bevoegdheid van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I).

Beoordeling

Met het oog op de gebiedsbescherming dient op de eerste plaats te worden gekeken naar het Natura 2000-gebied 'Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux'. Dit gebied is ter hoogte van Borkel gekoppeld aan het beekdal van de Dommel en ligt op ruim 350 meter afstand van het plangebied. Op de tweede plaats dienen de gebieden die tot EHS zijn aangewezen te worden beschouwd. De bosstrook aan de voorzijde van het plangebied behoort tot de EHS.

Door middel van het planvoornemen wordt een groot deel van de buitenopslag in het plangebied verplaatst naar de nieuwe loods. De effecten van de met de opslag gepaard gaande bedrijfsactiviteiten op de omgeving worden daardoor aanzienlijk minder, met name voor wat betreft het aspect geluid. Dit geldt tevens voor de strook EHS binnen het plangebied, waar bovendien geen ingrepen plaatsvinden. Gelet hierop en gezien de ligging op afstand van het Natura 2000-gebied, mag worden geconcludeerd dat het planvoornemen geen nadelige invloed uitoefent op de genoemde waardevolle gebieden. Eerder is sprake van een positieve invloed.

Gelet op de soortenbescherming kan worden gesteld dat de locatie waar de uitbreiding van de loods is voorzien geen potentiële habitat biedt voor waardevolle flora en fauna. De locatie is volledig verhard en wordt dagelijks bereden door (zware) voertuigen. Het uitvoeren van een quickscan flora en fauna wordt om die reden niet noodzakelijk geacht.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat wordt voldaan aan de Flora- en Faunawet. Daarnaast wordt voldaan aan de regels zoals gesteld in de Natuurbeschermingswet 1998 en in de Verordening ruimte 2014 (EHS).

4.2.4 Bedrijven en milieuzonering

Toetsingskader

Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige gebieden zoals woonwijken. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' van de VNG uit 2009. Bedrijven zijn hierin opgenomen in een tabel, die is ingedeeld in milieucategorieën, waarbij per bedrijf is aangegeven wat de afstand tot een rustige woonwijk dient te zijn (de zogenaamde afstandentabel). Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. Er kan (enigszins) van afgeweken worden in situaties waarin geen sprake is van een rustige woonwijk of bij afwijkende bedrijven. In het algemeen wordt door middel van het aanbrengen van een zonering tussen bedrijvigheid en woonbebouwing de overlast ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden. De VNG-publicatie onderscheidt twee omgevingstypen:

  • Het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied
    Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied, (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied.
  • Het omgevingstype gemengd gebied
    Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.

Beoordeling

Het binnen het plangebied gevestigde bedrijf, Tilburgs Truck Parts, is gespecialiseerd in de vervaardiging van diverse soorten vrachtwagenkisten. Op basis van de VNG-brochure kunnen de activiteiten het beste worden omschreven als de vervaardiging van producten van metaal in een constructiewerkplaats. De werkzaamheden vinden plaats in een gesloten gebouw met een productieoppervlak groter dan 200 m². Dit betreft activiteiten van milieucategorie 3.2, waaraan een maximale richtafstand van 100 meter is gekoppeld.

Het planvoornemen gaat uit van het uitbreiden van de bestaande loods, primair ten behoeve van inpandige opslag. In een later stadium wordt wellicht een deel van de productie verplaatst naar de nieuwe loods, zodat een meer efficiënte productielijn is te realiseren. Vooralsnog bestaan hiervoor echter geen concrete plannen en wordt de nieuwe loods uitsluitend voor inpandige opslag gebruikt. De aard van de bedrijfsactiviteiten en de omvang van het bedrijfsperceel wijzigen derhalve niet als gevolg van het planvoornemen. Evenwel wordt in planologisch opzicht rekening gehouden met het maximale scenario. In zowel de bestaande als de nieuwe loods worden derhalve bedrijfsactiviteiten tot en met milieucategorie 3.2 toegestaan. Ter plaatse van het overgenomen bedrijf aan de Dorpsstraat 21 zijn conform het vigerende bestemmingsplan eveneens activiteiten van categorie 3.2 toegestaan (in de vorm van een meubelmakerij). Deze zwaardere categorie wordt afgewaardeerd naar categorie 3.1, hetgeen voldoende is voor de bedrijfsvoering van Tilburgs Truck Parts. Op de rest van het bedrijfsperceel (inclusief het deel waar de bedrijfswoning staat) worden bedrijfsactiviteiten tot maximaal milieucategorie 2 mogelijk. Deze afwaardering van milieucategorieën aan de voorzijde van het perceel heeft een positief milieueffect op de omgeving. De milieueffecten van het bedrijf op de omgeving (overwegend geluid) zullen bovendien afnemen omdat de inpandige opslag voor veel minder overlast zorgt naar de omgeving toe dan de huidige buitenopslag.

Aan bedrijfsactiviteiten van milieucategorie 3.2 is zogezegd een richtafstand van 100 meter verbonden, uitgaande van ligging in een rustige woonwijk of een rustig buitengebied. In onderhavig geval is echter sprake van een gemengd gebied, gezien de ligging in een kernrandzone waar meerdere functies voorkomen. Hierdoor kan worden uitgegaan van een aan te houden richtafstand van 50 meter van de nieuwe loods tot de omliggende (burger)woningen. De meest nabije woning is gelegen aan de Dorpsstraat 23, op een afstand van circa 58 meter van de nieuwe loods. Deze afstand is voldoende om te kunnen aannemen dat ter plaatse sprake is van een goed woon- en leefklimaat, zeker wanneer tevens in acht wordt genomen dat de naast de woning gelegen meubelmakerij planologisch verdwijnt door middel van het onderhavige bestemmingsplan, de milieucategorie daar wordt afgewaardeerd naar 3.1 en de situatie op de rest van het bedrijfsperceel niet wijzigt. Vice versa leggen de omliggende woningen geen beperkingen op aan de bedrijfsactiviteiten van Tilburgs Truck Parts.

Ten aanzien van de op het bedrijfsperceel aanwezige bedrijfswoning kan het volgende worden gesteld; met de overname van de voormalige meubelmakerij is ook de daarbij behorende bedrijfswoning overgenomen en als bedrijfswoning bij Tilburgs Truck Parts in gebruik genomen. Ten tijde van de vestiging van Tilburgs Truck Parts is reeds aangetoond dat daardoor het woon- en leefklimaat van de destijds reeds aanwezige bedrijfswoning niet wordt benadeeld. Daaruit volgt dat de planologische overzetting van de bedrijfswoning van de meubelmakerij naar Tilburgs Truck Parts geen probleem oplevert.

Tenslotte is het noemenswaardig dat een deel van het bedrijfsperceel niet als zodanig wordt benut, maar als siertuin bij de bedrijfswoning. Door middel van dit bestemmingsplan wordt dit gebruik als siertuin eveneens planologisch vastgelegd, waarbij is bepaald dat bedrijfsactiviteiten ter plaatse niet zijn toegestaan.

Conclusie

Het planvoornemen gaat uit van het inkaderen van de toegestane bedrijfsactiviteiten. De effecten van deze bedrijfsactiviteiten op de omgeving nemen eerder af dan toe. Daarmee vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor het plan.

4.2.5 Externe veiligheid

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)

Toetsingskader

Het Bevi is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn o.a. standaardafstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico. Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie.

Beoordeling

Om te bepalen of er in de directe omgeving bedrijven zijn gelegen waarop het Bevi van toepassing is, is de risicokaart geraadpleegd. Ten aanzien van het aspect inrichtingen is geconstateerd dat in de omgeving van het plangebied geen Bevi-inrichtingen aanwezig zijn. In de gemeente Valkenswaard is alleen de Dommelsch brouwerij aanwezig die valt onder het Bevi. Voor het productieproces maakt de brouwerij namelijk gebruik van ammoniak. Het betreft de opslag van deze stof en de toepassing ervan voor koeling tijdens het productieproces. Het plangebied ligt op ruime afstand van de brouwerij, waardoor geen directe belemmeringen aanwezig zijn. Het effectgebied kan uitlopen tot enkele kilometers gezien het volume van de ammoniakkoelinstallatie, maar dit leidt niet tot belemmeringen ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling.

Conclusie

Het aspect Bevi-inrichtingen is geen belemmering voor de onderhavige wijziging.

Transport en externe veiligheid

Toetsingskader

Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, het water en de weg dient plaats te vinden aan de hand van de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen, 31 juli 2012, waarin grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico zijn opgenomen. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet Weg, Water en/of Spoor kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden die in bijlage 2, 3 en 4 van de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen zijn opgenomen. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Voor het Basisnet Weg geldt dat daar waar in de tabel van bijlage 2 van de circulaire de afstand '0' is vermeld het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer op het midden van de weg niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar. In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) zijn regels opgenomen ten behoeve van de bescherming van buisleidingen.

Beoordeling 

Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante transportassen zijn gelegen is de professionele risicokaart geraadpleegd. De onderstaande transportassen zijn beoordeeld. Het plangebied ligt op ruime afstand van een rijks-, vaar- of spoorweg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt (zoals opgenomen in bijlage 2, 3 en 4 van de circulaire). Tevens ligt het plangebied op ruime afstand van buisleidingen waarop de circulaire van toepassing is. Gelet hierop zijn risicoberekeningen niet noodzakelijk en hoeven er geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik binnen het plangebied.

Conclusie

Het aspect transport en externe veiligheid vormt geen belemmering voor de onderhavige wijziging.

4.2.6 Kabels en leidingen

Toetsingskader

De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer.1

  • a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger;
  • b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar;
  • c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar;
  • d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom;
  • e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken.2 

    • 1. 'Leidingen die deel uitmaken van een inrichting' zijn leidingen binnen de inrichtingsgrens die in beheer zijn van de drijver van de inrichting én leidingen die in beheer zijn van derden waarmee een product wordt geleverd aan de betreffende inrichting (Laatgenoemde leidingen hebben een zgn. functionele binding met de inrichting, zoals bedoeld in de Wet milieubeheer).
    • 2. Onder zgn. 'leidingen voor andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten' worden in ieder geval leidingen verstaan voor transport van nafta, waterstof, koolstofdioxide, stikstof, zuurstof, ethyleen en propyleen.

Beoordeling

Binnen of nabij het onderhavige plangebied zijn geen planologisch relevante leidingen aanwezig.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling.

4.2.7 Luchtkwaliteit

Toetsingskader

Op 15 november 2007 is een nieuw wettelijk stelsel voor luchtkwaliteitseisen van kracht geworden. Eén van de elementen daarvan is dat projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' aan de concentraties, niet meer afzonderlijk getoetst hoeven te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. De 'regeling niet in betekenende mate bijdragen' kan in sommige situaties worden toegepast. Voor projecten die de hoeveelheid fijn stof en stikstofdioxide in de lucht met maximaal 3% verhogen hoeven geen aanvullende maatregelen getroffen te worden. Het project draagt dan niet in betekende mate (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. Deze Ministeriële regeling, verder aan te duiden als de Regeling NIBM, geeft voor een aantal categorieën van projecten een (getalsmatige) invulling aan de NIBM-grens. Het gaat om woningbouw- en kantoorprojecten en enkele soorten van inrichtingen (bijv. emplacementen, kassen en andere landbouwinrichtingen).

Beoordeling

In onderhavig geval is sprake van de uitbreiding van een bestaande loods op een bestaand bedrijfsperceel. De uitbreiding zal enkel gebruikt worden ten behoeve van binnenopslag van materialen die momenteel buiten worden opgeslagen. De productieactiviteiten en het aantal verkeersbewegingen nemen niet of nauwelijks toe als een gevolg van deze uitbreiding. Een criterium om nadere eisen te stellen aan bouwplannen is dat bij 1.500 woningen en 1 ontsluitingsweg het jaarlijks percentage stofdeeltjes omhoog kan gaan. Aangenomen mag worden dat de geschetste uitbreiding een veel kleinschaliger ontwikkeling is. Uitgaande van het 3% criterium is derhalve binnen het plangebied geen sprake van een project dat in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling.

4.2.8 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Toetsingskader

Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan het Besluit m.e.r. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen me.r.- (beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een MER nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een MER nodig.

Beoordeling noodzakelijkheid m.e.r.-beoordeling

Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is dient bepaald te worden of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r. overschrijdt, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn.

Het planvoornemen betreft de uitbreiding van een bestaande loods van 1.500 m² tot in totaal 3.000 m², op een bestaand bedrijfsperceel van circa 1,5 hectare groot. De locatie van de loods behoort niet tot het bestaand stedelijk gebied, maar grenst daar wel direct aan. De ontwikkeling dient daarmee getoetst te worden aan activiteit D 11.2 uit de Bijlage bij het Besluit m.e.r. Deze activiteit betreft stedelijk ontwikkelingsproject, waarbij direct een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is als een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer wordt mogelijk gemaakt. Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling ver beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r.

In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Uit het onderhavige hoofdstuk, waaraan de resultaten van de toetsing juncto art. 3.1.6 Bro worden weergegeven, blijkt dat de locatie van de uitbreiding niet ligt in een gebied dat beschermd wordt ten gevolge van de natuurwaarden. De locatie ligt wel in de directe nabijheid van de Ecologische Hoofdstructuur en op circa 350 meter afstand van een Natura 2000-gebied. Beredeneerd is dat het planvoornemen eerder een positief dan een negatief effect heeft op deze natuurgebieden, gelet op de verplaatsing van de buitenopslag naar de nieuwe loods (inpandige opslag).

Het plangebied behoort niet tot een waterwinlocatie, waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. Wel is het gebied gelegen in een 'attentiegebied ehs', welke een natte natuurparel beschermd. De bescherming van dit gebied is verzekerd door middel van een omgevingsvergunningenstelsel in de bestemmingsregeling. Het plangebied is niet gelegen in een Bèlvéderegebied. In dit hoofdstuk zijn tevens de verschillende andere milieueffecten beschouwd. Hieruit blijkt dat er door de ontwikkeling inderdaad geen sprake zal zijn van nadelige milieugevolgen.

Conclusie

Zoals beschreven in de voorafgaande alinea's zijn er geen 'belangrijke nadelige milieugevolgen' te verwachten en daarom is het niet noodzakelijk een m.e.r.-beoordeling uit te voeren.

4.3 Historische kwaliteit

4.3.1 Cultuurhistorie

Toetsingskader

Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro (art. 3.1.6. lid 4 aanhef en onder a Bro) moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPdorpsstraat19-VO01_0010.png"

In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, ruimtelijke plannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart. Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. Daarnaast hebben de gezamenlijke Kempen- en A2 gemeenten (waaronder Valkenswaard) een eigen Cultuurhistorische beleidskaart, welke grotendeels samenvalt met de provinciale kaart.afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPdorpsstraat19-VO01_0011.png"

Beoordeling

De Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant alsmede de Cultuurhistorische Beleidskaart van de Kempen- en A2 gemeenten laten zien dat het plangebied zelf geen bijzondere cultuurhistorische waarden bevat, uitgezonderd de bosstrook aan de zijde van de weg. De Dorpsstraat is aangeduid als een historisch-geografische lijn met een zeer hoge cultuurhistorische waarde. Het planvoornemen brengt geen wijzigingen aan in de bosstrook of de Dorpsstraat.

Het plangebied is, net als ongeveer de hele kern van Borkel, wel gelegen binnen de molenbiotoop van de molen 'Sint Antonius Abt' aan de Dorpsstraat 50-52. De molenbiotoop is een zone rond de molen die van belang is om deze te kunnen laten functioneren. Om te kunnen draaien moet een molen beschikken over voldoende en stabiele windaanvoer. Daarom is een vrije windvang gewenst. Hoog opgaande begroeiing en bebouwing verminderen de windvang van de molen. Voor bestaande molens geldt ter bescherming van de windvang en de belevingswaarde van de molen een molenbiotoop. Deze legt beperkingen op met betrekking tot de hoogte van nieuwe bebouwing. De eerste 100 meter rond een molen dient vrij te zijn van obstakels. Omdat de molen een beltmolen is mogen obstakels in deze zone niet hoger zijn dan de belt, zijnde 2,80 meter. De locatie van de nieuwe loods ligt met een afstand van 220 meter tot de molen ruimschoots buiten deze zone.

Het tweede criterium is een toegestane hoogte, berekend op basis van een bepaalde afstand van de molen, de lengte van de wieken en de eventueel aanwezige stelling. De met de biotoopformule berekende norm is een oplopende lijn gezien vanuit de molen. De maximaal toelaatbare bouwhoogte in het plangebied kan met de volgende formule bepaald worden:

H(x) = x/n+c*z

waarin:
H(x) = maximale toelaatbare hoogte van een obstakel op afstand x (in meters)
x = afstand van een obstakel tot de molen (220 meter)
n = een constante, afhankelijk van de ruwheid van de omgeving en de maximaal

toelaatbare windreductie. Hiervoor worden de volgende waarden gebruikt: 140 voor open, 75 voor ruw en 50 voor gesloten gebied (50)

c = een constante, afhankelijk van de maximaal toelaatbare windreductie, gewoonlijk

met de waarde 0,2

z = askophoogte (helft van lengte gevlucht (23,80 meter) + de hoogte van de belt

(2,80 meter) = 14,7 meter)

Voor de constante 'n' dient de ruwheid van de omgeving bepaald te worden. Gezien de ligging van de molen in het dorp, kan het tussenliggende gebied aangemerkt worden als 'gesloten'. Daarvoor geldt dan n=50. Ook dienen in de maximaal toelaatbare hoogte de aanwezige hoogteverschillen in het terrein verwerkt te worden. Op basis van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) is het niveau van de weg ter hoogte van de molen bepaald op 29,6 m + NAP. De locatie van de nieuwe loods ligt op 29,4 m + NAP. Daarom kan in ieder geval rekening gehouden worden met een correctie van 0,2 m + NAP bij het bepalen van de maximale bouwhoogte.

Op basis van de formule en de aanwezige hoogteverschillen in het terrein geldt in principe een maximale bouwhoogte van 7,6 meter voor de nieuwe loods. Deze dient echter even hoog te worden als de bestaande loods (9 meter), bij een planologisch maximaal toegestane bouwhoogte van 10 meter. De maat in het bestemmingsplan overstijgt daarmee de op basis van de biotoopformule maximaal mogelijke bouwhoogte met 2,4 meter.

In de Nederlandse Molendatabase is echter ten aanzien van deze molen bepaald dat de landschappelijke waarde van de molen niet al te groot is: de molen is enkel vanuit zuidelijke richtingen nog zichtbaar van wat grotere afstand en heeft daar een redelijke windvang. In de overige richtingen zijn de windvang en het zicht reeds sterk verminderd door bebouwing en beplanting (met name tussen west en noord). De locatie van het plangebied is juist gelegen ten noordwesten van de molen. In de ruimte tussen de molen bevindt zich een aanzienlijke hoeveelheid bebouwing en staat bovendien een aantal hoge bomen. Daarnaast overstijgt de bestaande loods, waar de nieuwe loods pal tegenaan komt te liggen, de waarde van 7,54 meter ook al ruimschoots. De bouw van de nieuwe loods met de gewenste hoogte zal op basis van het voorgaande naar verwachting dan ook nauwelijks tot geen effect hebben op de windvang van en het zicht op de molen. Het opnemen van een beschermende regeling voor de molenbiotoop met een afwijkingsmogelijkheid wordt om die reden dan ook niet noodzakelijk geacht.

Conclusie

Het planvoornemen doet geen afbreuk aan cultuurhistorische waarden binnen of in de omgeving van het plangebied.

4.3.2 Archeologie

Toetsingskader

In Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Sinds 2007 kent Nederland de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz, gewijzigde Monumentenwet 1988). Op basis van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Om invulling te geven aan deze gemeentelijk zorgtaak heeft de gemeente de archeologische waarden en verwachtingen inzichtelijk gemaakt door een gemeentelijke verwachtingenkaart op te stellen. Verder stelt de Wamz 2007 dat gemeenten archeologieparagrafen moeten opnemen in bestemmingsplannen en archeologische waarden en verwachtingen op te nemen op de verbeelding en ze te beschermen middels regels.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPdorpsstraat19-VO01_0012.png"

Beoordeling

Uit de Archeologische beleidskaart van de gezamenlijke Kempen- en A2 gemeenten blijkt dat het plangebied grotendeels gelegen is in een zone met een hoge archeologische verwachting. Een archeologisch onderzoek is vereist bij bodemingrepen over een groter oppervlak dan 500 m² en dieper dan 0,3 m onder maaiveld. Omdat de uitbreiding een oppervlakte heeft van circa 1.500 m2 bestaat in onderhavig geval de noodzaak tot het uitvoeren archeologisch onderzoek.

Gelet op het voorgaande is door Econsultancy in 2014 een archeologisch bureauonderzoek en gecombineerd verkennend/karterend booronderzoek uitgevoerd op de locatie waar de uitbreiding van de loods is voorzien. Het bureauonderzoek heeft aangetoond dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. Daarom is aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennende fase direct gecombineerd met de karterende fase uitgevoerd. De aangetroffen bodemopbouw is in een deel van het plangebied verstoord, er is één intacte boring en één grotendeels intacte boring gezet. Op basis van het ontbreken van archeologische indicatoren in de boringen, kan worden geconcludeerd dat er geen archeologische waarden in het plangebied worden verwacht. De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, is door het booronderzoek geheel bijgesteld naar laag.

Op grond van het ontbreken van aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische waarden luidt het selectieadvies om ten aanzien van de geplande bodemingrepen, in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden.

De resultaten van dit onderzoek zijn beoordeeld door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant, waarna door het bevoegd gezag (Gemeente Valkenswaard) een selectiebesluit is genomen.

Het selectiebesluit luidt als volgt:

  • Indien bij het voorgenomen project bodemingrepen plaatsvinden die dieper gaan dan 30 cm beneden maaiveld en waarbij het verstoringsoppervlak groter is dan 500 m², dan dient er een archeologisch vervolgonderzoek in het plangebied plaats te vinden. Het gaat hier om het totaaloppervlak aan bodemingrepen. Dit betreft niet alleen de verstoringsoppervlakte van de bouwput, maar ook de verstoringsoppervlakte voor de aanleg van kabels, leidingen, waterberging en parkeerplaats.
  • Indien bij het voorgenomen project bodemingrepen plaatsvinden die dieper gaan dan 30 cm beneden maaiveld en waarbij het verstoringsoppervlak groter is dan 500 m², dan dient dit te worden gemeld aan het bevoegd gezag.

Ten behoeve van de bouw van de nieuwe loods wordt alleen ter plaatse van de fundering voor de wanden dieper gegraven dan 30 cm beneden maaiveld. Ten behoeve van de aanleg van de vloer vinden geen bodemverstorende werkzaamheden dieper dan 30 cm plaats. In de huidige situatie is de locatie reeds volledig verhard en geëffend. De nieuwe vloer komt te liggen op de plaats van de huidige verharding. Aangezien het oppervlak aan bodemingrepen benodigd voor de funderingen ruimschoots kleiner is dan 500 m², kan worden geconcludeerd dat in dit geval nader archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is.

De onderzoeksrapportage van het archeologisch onderzoek (rapportnummer 14043334, versie C1, 26 januari 2015), met daarin de volledige onderzoeksresultaten en uitgebreide conclusies, is als Bijlage 4 bij deze toelichting opgenomen. Het selectiebesluit van de gemeente Valkenswaard is als Bijlage 5 bij deze toelichting gevoegd.

Conclusie

Het aspect archeologie is in voldoende mate onderzocht. Archeologische waarden komen niet in het geding als gevolg van het planvoornemen.

Hoofdstuk 5 PLANBESCHRIJVING

5.1 Stedenbouwkundige en landschappelijke inpassing

De uitbreiding van de bestaande loods bevindt zich direct ten zuidoosten daarvan, centraal op het bedrijfsperceel. De ligging van de locatie heeft als voordeel dat de nieuwe loods vanuit de meeste zijden nauwelijks zichtbaar zal zijn. De nieuwe loods is immers even hoog als de bestaande loods (circa 9 meter). Enkel vanuit de zuidoostzijde wordt direct op de nieuwbouw gekeken. Momenteel bevindt zich ter plaatse van de uitbreiding de buitenopslag, die een rommelige indruk maakt. Deze situatie wordt als gevolg van het planvoornemen sterk verbeterd, aangezien de opslag zich naar binnen verplaatst, in de nieuwe loods.

Ter verdere verbetering van de ruimtelijke kwaliteit wordt de zuidoostzijde van het bedrijfsperceel eveneens voorzien van een circa 5 meter brede hakhoutsingel, als onderdeel van het landschappelijk inpassingsplan (zie Bijlage 1 bij deze toelichting). Daarmee wordt vanuit de zuidoostzijde zowel het zicht op de buitenopslag als op de nieuwe loods afgeschermd. Voor het overige wordt de bestaande stedenbouwkundige en landschappelijke situatie binnen het plangebied geconsolideerd. De bedrijfswoning en bedrijfsbebouwing aan de Dorpsstraat wijzigen niet, de reeds aanwezige siertuin, parkeerterrein en inrit blijven behouden op de huidige locatie.

Ten gevolge van het planvoornemen ontstaat kortom een verzorgd en representatief bedrijfsperceel, dat voortaan aan alle zijden voorzien zal zijn van een groene omlijsting.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPdorpsstraat19-VO01_0013.png"

5.2 Beeldkwaliteit

De bouw van de nieuwe loods omvat feitelijk het dupliceren van de bestaande loods, althans voor wat betreft de maatvoering en de uiterlijke vormgeving. Het nieuwe gedeelte sluit daarmee optimaal aan bij de beeldkwaliteit van de bestaande bebouwing en heeft om die reden een minimale impact op de omgeving. Onderstaand zijn de gevelaanzichten van de bebouwing alsmede een impressie van de nieuwe situatie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPdorpsstraat19-VO01_0014.png"

Hoofdstuk 6 UITVOERINGSASPECTEN

6.1 handhaving

Toezicht en handhaving van een bestemmingsplan houden in de eerste plaats in, dat van overheidswege wordt gekeken op de naleving van de regelgeving. De gemeente inventariseert de uitkomsten van een dergelijk onderzoek en vormt zich een oordeel. Tenslotte beslist zij of er interventies in de vorm van maatregelen en acties nodig zijn. De praktische uitwerking is nader in dit hoofdstuk beschreven.

Als een nieuw bestemmingsplan wordt opgesteld en op termijn een ander ruimtelijk rechtsregime gaat gelden, dient de gemeente op een bepaald ijkmoment inzicht te hebben wat er feitelijk aan bouwwerken in een gebied aanwezig is en hoe deze en de onbebouwde omgeving worden gebruikt.

De rechtssituatie gaat specifiek een rol spelen als in het kader van toezicht en handhaving teruggegrepen moet worden op het overgangsrecht, zoals dat in het geldend bestemmingsplan is beschreven. Op grond van het overgangsrecht is met objectieve feiten vast te stellen hoe de rechtssituatie is en of er bouw- en of gebruiksregels zijn overtreden. Het geheel geeft duidelijkheid aan burgers en overheid over en weer. Het systeem biedt de gemeente de mogelijkheid, als het opleggen van een dwangsom geen zin heeft gehad, op te treden via de weg van bestuursdwang. Eventueel kan door inschakeling van justitie een procedure in gang worden gezet die gericht is op vervolging wegens het begaan van een strafbaar feit. Het betreft hier de activiteiten die in de planregels worden ingeleid met de zinsnede 'Onder verboden gebruik wordt verstaan ………'.

6.2 Economische uitvoerbaarheid

Toetsingskader

De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan, een wijziging van een bestemmingsplan, een projectbesluit of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening:

  • de bouw van een of meer woningen;
  • de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen;
  • de uitbreiding van een hoofdgebouw met ten minste 1.000 m² of met een of meer woningen;
  • de verbouwing van een of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd;
  • de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies tenminste 1.000 m² bedraagt;
  • de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m².

Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is én er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd én geen locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) hoeven te worden vastgesteld. Recent is de Wet ruimtelijke ordening gewijzigd, waardoor voor onbenutte bouwruimte die al opgenomen was in een bestemmingsplan dat nog op basis van de oude Wet op de Ruimtelijke Ordening was opgesteld en vastgesteld en bij de herziening van dat bestemmingsplan na 1 juli 2008 geen andere bestemmingsregeling is vastgesteld, geen exploitatieplan hoeft te worden vastgesteld.

Beoordeling 

Door middel van het voorliggende bestemmingsplan wordt de mogelijkheid geboden een bestaand hoofdgebouw met ten minste 1.000 m² uit breiden. Derhalve is het plan exploitatieplanplichtig. In het onderhavige geval wordt het kostenverhaal anderszins verzekerd. De gemeente Valkenswaard sluit met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst af, waarin de verantwoordelijkheid voor gemaakte kosten wordt vastgelegd. De exploitatie is op deze manier anderszins verzekerd. Voor de realisatie van het plan hoeft door de gemeente geen investering gedaan te worden. De ontwikkelingskosten worden geheel door de initiatiefnemer gedragen.

Conclusie

Door het sluiten van een anterieure overeenkomst is de economische uitvoerbaarheid verzekerd.

6.3 uitvoerbaarheid voorwaardelijke verplichtingen

Toetsingskader

Indien een ruimtelijk plan voorziet in de opname van een of meerdere voorwaardelijke verplichtingen dient de uitvoerbaarheid hiervan op basis van de Wro te worden aangetoond. Een voorwaardelijke verplichting kan namelijk strekken tot de aanleg en instandhouding van voorzieningen. In de planvorming dient inzichtelijk te zijn of in de instandhouding van de mogelijk gemaakte voorzieningen kan worden voorzien op de langere termijn.

Beoordeling

In het onderhavige plan zijn meerdere voorwaardelijke verplichtingen opgenomen. Dit betreft de aanleg van de landschappelijke inpassing in de vorm van groenvoorzieningen en het kunnen voorzien in voldoende parkeervoorzieningen. Beide aspecten zijn meegenomen in de voor de uitbreiding van de loods opgestelde exploitatieopzet. De instandhouding van de groenvoorzieningen, door middel van onderhoud, is meegenomen in de berekening van de investering in kwaliteitsverbetering.

Conclusie

De instandhouding van de aan te leggen voorzieningen is verzekerd.

Hoofdstuk 7 JURIDISCHE ASPECTEN

7.1 Algemeen

Dit hoofdstuk bespreekt de wijze waarop het ruimtelijk en functioneel beleid voor het plangebied in het bestemmingsplan is vertaald. Bij het opstellen van de juridische regeling heeft het uitgangspunt centraal gestaan dat er een regeling geboden wordt die de ontwikkeling van het stedenbouwkundig plan mogelijk maakt.

Het bestemmingsplan bestaat uit (bestemmings)planregels en een verbeelding, vergezeld van een toelichting. De planregels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De planregels zijn zodanig opgesteld dat wordt aangesloten bij de in de gemeente Valkenswaard gehanteerde bestemmingsplansystematiek voor het bestaand stedelijk gebied. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding omvat de gronden die voor de ontwikkeling van het plan van belang zijn. De keuze van de bestemmingen en de situering van de bestemmingsvlakken is gebaseerd op de huidige ruimtelijke situatie en de gewenste functies. Voorts sluit de opzet van de verbeelding aan op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012).

De bestemmingsplanregels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. De bestemmingsplanregels bestaan uit vier hoofdstukken, te weten:

  • inleidende regels;
  • bestemmingsregels;
  • algemene regels;
  • overgangs- en slotregels.

In de toelichting wordt gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Ondanks het feit dat de toelichting geen onderdeel uitmaakt van het juridisch plangedeelte, fungeert de toelichting wel als interpretatiekader voor de uitleg van de regels, indien hierover interpretatieverschillen blijken te bestaan.

7.2 Artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

In het eerste artikel, 'begrippen', worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsbepalingen zijn opgenomen die gebruikt worden in de regels en

die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Voor sommige begrippen

worden in de SVBP en Bor omschrijvingen gegeven. Deze zijn overgenomen.

Artikel 2 Wijze van meten

Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen, wordt in de 'wijze van meten' uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van meten van de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Ook voor de 'wijze van meten' worden in de SVBP richtlijnen gegeven die zijn overgenomen in dit plan.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Bedrijf

Deze bestemming regelt de toegestane bedrijfsactiviteiten van het bedrijf (categorie 3.2 ter plaatse van de nieuwe en bestaande loods, categorie 3.1 ter plaatse van de bedrijfsbebouwing aan de voorzijde van het terrein en categorie 2 voor de rest van het terrein, inclusief de bedrijfswoning, conform de in de bijlage opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten) en de locatie waar bebouwing opgericht mag worden. Per bouwvlak is aangegeven wat het maximaal toegestane bebouwingsoppervlak en de maximaal toegestane goot- en bouwhoogte zijn. De plaats waar de bedrijfswoning is gelegen is voorzien van een specifieke aanduiding. Door middel van de aanduiding 'tuin' is de locatie van de bestaande siertuin bij de bedrijfswoning aangegeven. Het bestaande parkeerterrein is vastgelegd met de aanduiding 'parkeerterrein'. Deze is van voldoende omvang om in de parkeerbehoefte te kunnen voorzien.

Ten behoeve van het waarborgen van de landschappelijke inpassing van de nieuwe bebouwing en de aanleg van voldoende parkeervoorzieningen, zijn voorwaardelijke bepalingen opgenomen in de specifieke gebruiksregels. Deze bepalingen hebben geen betrekking op de bestaande activiteiten en bouwwerken, aangezien deze reeds zijn toegestaan.

Artikel 4 Groen - Landschapsgroen

De groene landschapsbestemming is primair opgenomen ten behoeve van de realisatie van de landschappelijke inpassing. Bedrijfsactiviteiten, gebouwen en parkeervoorzieningen zijn niet toegestaan.

Artikel 5 Natuur

Deze bestemming is toegekend aan de reeds gerealiseerde delen van de Ecologische hoofdstructuur (EHS) binnen het plangebied. Extensief recreatief medegebruik, zoals fietsen en wandelen, is hieraan ondergeschikt. De bestemming voorziet in een regeling waarmee bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden slechts uitgevoerd kunnen worden, nadat hiervoor een omgevingsvergunning is verleend.

Artikel 6 Waarde - Archeologie 4

Globaal heeft het westelijke deel van het plangebied deze dubbelbestemming. In deze gebieden geldt op basis van geomorfologische en bodemkundige opbouw en aangetroffen archeologische vondsten en relicten een hoge archeologische verwachting. Dat wil zeggen dat in deze gebieden sprake is van een hoge concentratie archeologische vindplaatsen met goede conserveringsomstandigheden. De kans op het aantreffen van archeologische vondsten bij bodemingrepen is dus zeer groot. Om die reden is een archeologisch onderzoek vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten die groter zijn dan 500 m² en dieper gaan dan 0,3 meter of 0,5 meter bij esdek onder maaiveld. Indien nog geen oppervlakte van een totale vergraving bekend is, bijvoorbeeld bij bestemmingsplanwijzigingen, geldt de onderzoeksverplichting voor plangebieden groter dan 1.000 m2.

Artikel 7 Waarde - Archeologie 5

De zuidelijke punt van het plangebied valt binnen het regime van deze dubbelbestemming. In deze gebieden geldt op basis van geomorfologische en bodemkundige opbouw, en aangetroffen archeologische vondsten en relicten een middelhoge archeologische verwachting. Deze zones en gebieden waren net als de gebieden met een hoge verwachting in principe geschikt voor bewoning. De kans op het aantreffen van vondsten is hier echter kleiner, doordat de dichtheid aan vindplaatsen beduidend lager is dan in de gebieden met een hoge verwachting. Om die reden is een archeologisch onderzoek vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten die groter zijn dan 2500 m² en dieper gaan dan 0,3 meter of 0,5 meter bij esdek onder maaiveld. Indien nog geen oppervlakte van een totale vergraving bekend is, bijvoorbeeld bij bestemmingsplanwijzigingen, geldt de onderzoeksverplichting voor plangebieden groter dan 5.000 m2.

Artikel 8 Waarde - Archeologie 6

Deze dubbelbestemming ligt globaal over de oostelijke helft van het plangebied. Het gaat hierbij om gebieden waar op archeologische en landschappelijke gronden de kans op behoudenswaardige archeologische relicten klein wordt geacht. Om die reden is een archeologisch onderzoek alleen vereist bij bestemmingsplanwijzigingen en omgevingsvergunningen t.b.v. de activiteit ruimtelijke ordening van projectgebieden die groter zijn dan 25.000 m² en dieper gaan dan 0,4 meter onder maaiveld. Ook zal bij m.e.r. plicht nader onderzoek worden verlangd.

Hoofdstuk 3

Artikel 9 Anti-dubbeltelregel

Dit artikel bevat de bepaling om te voorkomen dat met het bestemmingsplan strijdige situaties ontstaan of worden vergroot. Het artikel is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening en is daaruit overgenomen.

Artikel 10 Algemene bouwregels

Dit artikel regelt algemene bouwmogelijkheden ten aanzien van afwijkende maten en ondergeschikte bouwdelen.

Artikel 11 Algemene gebruiksregels

Dit artikel omvat algemene regels ten aanzien van het gebruik van de bebouwing en de gronden. Seksinrichtingen en kamerverhuur worden door middel van deze regeling uitgesloten, zodat bijvoorbeeld een seksbioscoop of prostitutiebedrijf niet mogen voorkomen.

Artikel 12 Algemene aanduidingsregels

In dit artikel zijn specifieke regels opgenomen voor bescherming van het 'attentiegebied ehs'. Opgenomen is dat er aan een omgevingsvergunning verplichtingen kunnen worden verbonden aan de uitvoering van het woongebied, waarbij ten behoeve van het voldoen aan deze verplichtingen het betrokken waterschapsbestuur dient te worden gehoord.

Artikel 13 Algemene afwijkingsregels

In dit artikel is in aanvulling op de afwijkingsregels uit de bestemmingen nog een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Het bevoegd gezag kan hierbij tevens nadere eisen stellen. De belangen van waaruit die eisen worden gesteld, zijn ook nader opgesomd in dit artikel. Op deze algemene afwijkingsregels kan een beroep gedaan worden, waar het gaat om bijvoorbeeld bepaalde overschrijdingen met 10%, voor het oprichten van bouwwerken ter wering van geluidhinder, voor gebouwtjes ten dienste van het verkeer of openbaar nut, voor antennes en zendmasten en voor bepaalde bouwwerken op of direct nabij de openbare weg.

Artikel 14 Algemene wijzigingsregels

Op deze algemene wijzigingsregels kan een beroep gedaan worden, waar het gaat om bijvoorbeeld bepaalde overschrijdingen met 10%, voor de in het plan aangegeven bestemmingsplangrens, van het beloop of het profiel van een weg, alsmede van de vorm van bouwvlakken voor zover zulks bij de definitieve uitmeting, bij de verkaveling of bij de nadere detaillering noodzakelijk en/of wenselijk is.

Artikel 15 Algemene procedureregels

Dit artikel bevat de procedureregels voor het stellen van nadere eisen en het toepassen van een wijziging.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Dit hoofdstuk omvat twee artikelen:

Artikel 16 Overgangsrecht

Dit artikel betreft het overgangsrecht met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan indien de afwijking hierdoor wordt verkleind. Daarnaast zijn overgangsregels opgenomen ten aanzien van het bouwen. Een bouwwerk dat afwijkt van de bouwregels van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt, mag gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, of na een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd. De afwijking mag daarbij naar aard en omvang niet worden vergroot. Daarvan mag eenmalig bij een omgevingsvergunning worden afgeweken tot maximaal 10% van de inhoud van het bouwwerk. Het overgangsrecht is niet van toepassing op bouwwerken die reeds in strijd waren met het voorgaande geldende bestemmingsplan.

Artikel 17 Slotregel

De regels kunnen worden aangehaald onder de naam: Regels van het bestemmingsplan 'Dorpstraat 19'.

Hoofdstuk 8 OVERLEG IN INSPRAAK

In het bestemmingsplanproces bestaan diverse mogelijkheden tot communicatie. De voor dit voorliggende bestemmingsplan relevante communicatie wordt in dit hoofdstuk belicht.

8.1 Overleg

Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleg met de besturen van bij het plan betrokken waterschappen plegen. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn.

Vóór het opstarten van de procedure wordt dit bestemmingsplan ter vooroverleg opgestuurd naar het Waterschap en naar de provincie Noord-Brabant.

8.2 Inspraak

Het bestemmingsplan dient maatschappelijk draagvlak te hebben onder de inwoners van Borkel en Schaft en andere belanghebbenden. Over het voorontwerp bestemmingsplan wordt in dat kader, overeenkomstig de gemeentelijke Inspraakverordening, gelegenheid tot inspraak geboden.

Voorafgaand aan de eigenlijke inspraakperiode is door de dorpsraad van Borkel en Schaft d.d. 24 februari 2015 een bijeenkomst gehouden waarin het planvoornemen is beoordeeld. Hierbij is het plan akkoord bevonden door de dorpsraad.

8.3 tervisielegging

Na het wettelijk vooroverleg wordt dit bestemmingsplan gedurende zes weken ter visie gelegd als ontwerp bestemmingsplan. De resultaten van de tervisielegging worden tezijnertijd in deze toelichting verwerkt.