direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Dommelseweg 141a
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0858.BPdommelseweg141a-ON01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

De familie Hoeks, hierna te noemen initiatiefnemers, heeft gronden in eigendom gesitueerd aan het adres Dommelseweg 143. Initiatiefnemers wensen op het perceel gelegen tussen de Dommelseweg 141 en 143 een bouwtitel toe te voegen waarop een vrijstaande woning kan worden gesitueerd. Momenteel is het betreffende perceel, kadastraal bekend als gemeente Valkenswaard, sectie E, perceelsnummer 3178, in gebruik als zijtuin bij de woning van het adres Dommelseweg 143.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPdommelseweg141a-ON01_0001.png"

Begrenzing plangebied met de blauwe contour op de kadastrale ondergrond.

Bron: pdokviewer.nl, 2016.


De ontwikkeling van een woning op dit perceel is echter niet mogelijk binnen het vigerend bestemmingsplan "Valkenswaard Noord", zoals vastgesteld op 28 februari 2008 en onherroepelijk geworden op 25 november 2009. Binnen dit vigerend bestemmingsplan ligt de bestemming 'Wonen' op het perceel met de aanduiding 'zg+'. Binnen deze bestemming en aanduiding mogen geen woningen gerealiseerd worden, enkel aan- en bijgebouwen. Om de ontwikkeling van een vrijstaande woning mogelijk te maken dient een herziening van het vigerende bestemmingsplan opgesteld te worden.


Ten behoeve van het planvoornemen is een principeverzoek ingediend om medewerking te vragen voor het planvoornemen aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Valkenswaard. Het college heeft in een brief van 2 maart 2016 aangegeven medewerking te verlenen aan het oprichten van één vrijstaande woning ter plaatse en daarvoor een bestemmingsplanprocedure op te willen starten.

1.2 Plankarakter

Het bestemmingsplan "Dommelseweg 141a" draagt het karakter van een ontwikkelingsgericht plan. Dit houdt in, dat er in het plangebied stedenbouwkundige/ruimtelijke veranderingen worden voorzien. In hoofdstuk 5 is een beschrijving opgenomen van de gewenste ontwikkeling.

1.3 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt de situering van het plangebied beschreven en de huidige juridische regeling. Hierna wordt in hoofdstuk 3 het planologisch kader geschetst. Hoofdstuk 4 bevat een omschrijving van de bestaande situatie, waarna eveneens de fysieke milieuwaarden zoals water, bodem en wegverkeerslawaai aan de orde komen. In hoofdstuk 5 volgt een omschrijving van het stedenbouwkundig plan. Hoofdstuk 6 gaat in op de uitvoeringsaspecten, zoals handhaving en economische uitvoerbaarheid. In hoofdstuk 7 volgt de opzet van de juridische regeling en hoofdstuk 8 bevat tenslotte de resultaten van inspraak, overleg en de formele procedure ex artikel 3.8 Wro.

Hoofdstuk 2 Plangebied

2.1 Situering

De gemeente Valkenswaard is gelegen in de provincie Noord-Brabant, ten zuiden van de stad Eindhoven. De gemeente grenst in het zuiden aan België. De kern Valkenswaard is, met ongeveer 20.000 inwoners, de grootste kern van de gelijknamige gemeente. Voorliggende ontwikkeling is gesitueerd in het westen van de kern Valkenswaard. Het plangebied is gelegen ten zuiden van de Dommelseweg, de doorgaande weg van Valkenswaard naar Eersel. Het plangebied maakt op dit moment onderdeel uit van de tuin van de naastgelegen woning aan de Dommelseweg 143. Het plangebied heeft een oppervlakte van 617 m2. Het plangebied is gesitueerd in een woonlint. Ten zuiden van het plangebied is een voormalige bedrijfslocatie gelegen, waarvan de herontwikkeling in de vorm van woningbouw reeds is gestart. Voor dit te ontwikkelen gebied is een separate procedure doorlopen (NL.IMRO.0858.OVbarentszstraat2-VA01, vastgesteld 14 april 2016) en de bedrijfsbebouwing is reeds geamoveerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPdommelseweg141a-ON01_0002.png"

Uitsnede van de luchtfoto. Het plangebied is gelegen binnen de rode contour. Bron: ruimtelijkeplannen.nl, 2016.

2.2 Vigerend bestemmingsplan

Toetsingskader

Ter plaatse van het plangebied is het bestemmingsplan "Valkenswaard Noord", vastgesteld op 28 februari 2008 door de gemeente Valkenswaard en onherroepelijk op 25 november 2009, van kracht. Binnen dit vigerend bestemmingsplan ligt de bestemming 'Wonen' op het perceel met de aanduiding 'zg+'. Zijtuinen werden eigenlijk vrijwel altijd bestemd als ware het een voortuin, dus met de aanduiding 'zonder gebouwen' (zg). In de praktijk is echter gebleken dat de bijbehorende regime voor bouwen op deze tuinstroken als te streng kan worden beschouwd, waardoor een andere bebouwingsregeling is opgesteld (zg+). Dit is een verruimde regeling ten opzichte van de oude 'zonder gebouwen'- aanduiding, waardoor een kleine oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken kan worden gerealiseerd op deze gronden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPdommelseweg141a-ON01_0003.png"

Uitsnede van de verbeelding behorend bij het vigerende bestemmingsplan. Binnen de rode contour is het

plangebied gelegen. Bron: ruimtelijkeplannen.nl, 2016.

Beoordeling

Het plan bestaat uit de ontwikkeling van één woning. De aanduiding zijtuin dient van het plangebied verwijderd te worden en binnen de woonbestemming dient een nieuw bouwvlak toegevoegd te worden, waarvan de voorgevel geplaatst wordt in lijn met de reeds bestaande bebouwing. Om de ontwikkeling van een vrijstaande woning ter plaatse van het plangebied mogelijk te maken dient een nieuw bestemmingsplan opgesteld te worden.


Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat onderliggend initiatief strijdig is met het vigerend bestemmingsplan. Onderhavig bestemmingsplan voorziet in een nieuwe planologische regeling om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken. Door de gemeente Valkenswaard is middels een principebesluit d.d. 2 maart 2016 aangegeven voornemens te zijn medewerking te verlenen aan het initiatief.

Hoofdstuk 3 Planologisch kader

3.1 Inleiding

De gemeente Valkenswaard heeft te maken met de vigerende beleidskaders van de landelijke en provinciale overheid; ontwikkelingen dienen te voldoen aan dit beleid. Daarnaast dient de voorgenomen ontwikkeling zich eveneens te voegen binnen de marges van het gemeentelijk beleid. Het ruimtelijk beleid van de drie voorgenoemde overheden is per overheidslaag neergelegd in één of meerdere zogenoemde structuurvisies. Voor de realisatie van het beleid zetten de verschillende overheden een mix van instrumenten in. Eén van die instrumenten betreft het vertalen van het beleid uit de structuurvisie naar een juridisch bindende verordening. Hieronder zijn de voor dit bestemmingsplan relevante structuurvisies en verordeningen per overheidslaag weergegeven en wordt getoetst of onderhavige ontwikkeling passend is binnen het beleid.

3.2 Nationaal beleid

3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), 2012

Toetsingskader

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van kracht geworden. Deze structuurvisie vormt de uitwerking van de ambities van het Rijk, op basis van haar verantwoordelijkheden, in Rijksdoelen en daarmee samenhangende nationale belangen op het gebied van een samenhangend ruimtelijk en mobiliteitsbeleid. Het Rijk heeft tot doel Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te maken in een periode van economische conjunctuurschommelingen, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen. Aanleiding voor het vaststellen van de visie is de constatering dat het voorheen geldende ruimtelijke Rijksbeleid onvoldoende bijdroeg aan het behalen van deze doelen, onder meer door het veroorzaken van bestuurlijke drukte, ingewikkelde regelgeving en een te sectorale blik op vraagstukken. Om dit te keren brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij diegene die het aangaat en laat het meer over aan gemeenten en provincies.


Het Rijk onderscheidt thans nog dertien nationale belangen; uitsluitend op basis van deze belangen intervenieert het Rijk in de ruimtelijke ordening. Een groot deel van deze belangen leidt tot het reserveren van ruimte voor functies. Dit betreft dan bijvoorbeeld het reserveren van ruimte voor waterberging, militaire activiteiten en de uitbreiding van het hoofdwegennet. Deze belangen zijn vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). Eén van de belangen die niet leidt tot een ruimtereservering is het belang van een 'zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten'. In het kader van dit belang heeft het Rijk besloten om, ten behoeve van het verminderen van de bestuurlijke drukte en het neerleggen van verantwoordelijkheden bij decentrale overheden, de verstedelijkingsstrategie te wijzigen. Dit houdt in dat het bundelingsbeleid, verdichtingsbeleid, locatiebeleid voor bedrijven en voorzieningen, beleid voor basiskwaliteit, stedelijke netwerken, nationale landschappen en rijksbufferzones is afgeschaft en dat daar slechts één beleidslijn voor terug komt: de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Deze 'ladder' heeft tot doel het principe van vraaggericht programmeren en het principe van zorgvuldig ruimtegebruik bindend voor te schrijven bij de afwegingen van gemeenten en provincies. Dit belang is als procesvereiste vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).


Grondgedachte van de 'ladder' is dat een activiteit op meerdere locaties zou kunnen plaatsvinden en dat vervolgens de planologisch meest juiste locatie gekozen moet worden. Dat gaat uit van de activiteit. Hiermee wordt beoogd om de voorheen bestaande praktijk, waarbij in veel gevallen een bestemming wordt gezocht voor een bepaalde locatie (bv. herbestemmen van een voormalige vuilstortplaats), om te vormen.


Beoordeling

Voorliggend plangebied is niet gelegen in een gebied waarvoor van rijkswege een ruimtereservering geldt. Uitsluitend het nationale belang van een 'zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten', als vervat in de 'ladder voor duurzame verstedelijking', is van toepassing op onderhavig bestemmingsplan. Aan dit belang wordt navolgend getoetst.


Conclusie

Geconcludeerd wordt dat onderhavige plangebied niet is gelegen in een gebied waarvoor van rijkswege een ruimtereservering geldt. Aan de 'ladder voor duurzame verstedelijking' wordt in paragraaf 3.2.3 getoetst.

3.2.2 Besluit en ministeriële regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, Rarro), 2012

Toetsingskader

Het Rijk heeft in de hiervoor genoemde SVIR vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet. De SVIR bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op provinciaal en gemeentelijk niveau. Ten aanzien daarvan is een borging door middel van normstelling, gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening, gewenst. Die uitspraken onderscheiden zich in die zin dat van de provincies en de gemeenten wordt gevraagd om de inhoud daarvan te laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming. Zij zijn dus concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect door te werken tot op het niveau van de lokale besluitvorming, zoals de vaststelling van bestemmings- en wijzigingsplannen.


Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Op 30 december 2011 is het Barro in werking getreden met daarin een regeling voor een beperkt aantal onderwerpen. Op 1 oktober 2012 is het besluit aangevuld met regels voor de andere beleidskaders uit de SVIR en tevens uit het Nationaal Waterplan en het Derde Structuurschema Elektriciteitsvoorziening. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Een aantal onderwerpen is geregeld in de bij het Barro behorende Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro).


Beoordeling

Op 1 juli 2016 is een wijziging van het Rarro (periodieke actualisatie en herstel van enkele gebreken, 6e wijziging) in werking getreden. Volgens de kaarten behorend bij het Rarro is het plangebied gelegen binnen het radarverstoringsgebied van het nieuwe radarstation op de locatie Herwijnen. Rondom het radarstation mogen geen bestemmingen opgenomen worden die het oprichten van bouwwerken mogelijk maken die door hun hoogte onaanvaardbare gevolgen kunnen hebben voor de werking van de radar. In onderhavig radarverstoringsgebied is de maximale hoogte van windturbines gesteld op 90 meter ten opzichte van NAP. In het onderhavige plan wordt geen nieuwe bebouwing mogelijk gemaakt boven de ter plaatse geldende maximale hoogtemaat en er wordt ook geen planologisch kader geboden voor het oprichten van windturbines. Het initiatief heeft daarmee geen gevolgen voor het radarstation.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPdommelseweg141a-ON01_0004.png"

Ligging van het plangebied binnen het radarverstoringsgebied van radarstation Herwijnen. De blauwe

aanwijzer toont de ligging van het plangebied. Bron: ruimtelijkeplannen.nl, 2016.

Voor het overige zijn er ten aanzien van het onderhavige plangebied geen regels uit het Barro en het Rarro van toepassing, aangezien er bij onderhavige ontwikkeling geen nationale belangen of nationaal aangewezen gebieden zijn gemoeid.


Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat onderhavige ontwikkeling passend is binnen de regels zoals gesteld in het Barro en de Rarro.

3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6 lid 2 Bro), 2012

Toetsingskader

Met de inwerkingtreding op 1 oktober 2012 van art. 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) - de 'ladder voor duurzame verstedelijking' - geldt voor alle juridisch verbindende ruimtelijke plannen van decentrale overheden die (planologisch) nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken een bijzonder procesvereiste. Dit procesvereiste is gebaseerd op één van de nationale belangen als opgenomen in de SVIR, opgesteld door het Rijk. Dit nationale belang houdt in dat, ten behoeve van een goed systeem van ruimtelijke ordening, een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten plaats dient te vinden. Deze zorgvuldige afweging heeft tot doel om, vanuit een oogpunt van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, planologisch ongewenste versnippering en een onaanvaardbare leegstand te voorkomen. Het Rijk heeft er voor gekozen om, gedeeltelijk gebaseerd op de al langer geldende SER-ladder uit 1999, het procesvereiste vorm te geven als een determinerend-cumulatief werkende motivatieverplichting. De motivatieverplichting voor ruimtelijke besluiten, welke geldt voor de maximale planologische mogelijkheden inclusief flexibiliteitsinstrumenten (waarbij planologische saldering niet per definitie is toegestaan), bestaat uit drie eisen (treden):

  • a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;
  • b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;
  • c. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.


Beoordeling

Voordat wordt getoetst aan de treden van de ladder voor duurzame verstedelijking dient te worden vastgesteld of het besluit voorziet in een (planologisch) nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in art. 3.1.6 lid 2 Bro. In de definitiebepaling voor 'stedelijke ontwikkeling', als opgenomen in art. 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i Bro, luidende een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen' is geen ondergrens opgenomen. Hieruit volgt dat elke stedelijke ontwikkeling, hoe kleinschalig dan ook, is onderworpen aan de toepassing van de ladder.


De ABRvS heeft daarentegen ten aanzien van een aantal typen (kleinschalige) ontwikkelingen een ondergrens aangenomen. De ondergrens hangt daarbij af van de 'omstandigheden van het geval' en wordt mede bepaald op basis van de aard en omvang van de ontwikkeling, de structuur van de omgeving en de ruimtelijke uitstraling van de ontwikkeling. Aangezien recente jurisprudentie aantoont dat een ruimtelijke ontwikkeling, met min of meer vergelijkbare 'omstandigheden van het geval' als in onderhavige situatie, van 11 woningen niet dient te worden aangemerkt als een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling', is voorliggende ontwikkeling van één woning niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling in het kader van de 'ladder voor duurzame verstedelijking' (ABRvS 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3542).


Conclusie

Voorliggend bestemmingsplan betreft het juridisch-planologisch mogelijk maken van één woning binnen het bestaand stedelijk gebied van Valkenswaard. Geconcludeerd kan worden dat voorliggend initiatief onder de gestelde ondergrens valt van wat onder een stedelijke ontwikkeling wordt verstaan. Derhalve behoeft niet te worden getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.3 Provinciaal beleid

3.3.1 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening - partiële herziening 2014

Toetsingskader

De Structuurvisie Ruimtelijke Ordening (SVRO) is vastgesteld door Provinciale Staten op 1 oktober 2010 en geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040) weer. Belangrijke beleidslijnen in de SVRO zijn het principe van concentratie van verstedelijking, zorgvuldig ruimtegebruik, verantwoord omgaan met de natuurlijke basis en het streven naar robuuste en aaneengeschakelde natuurgebieden. Sinds de vaststelling in 2010 hebben Provinciale Staten diverse besluiten genomen die een verandering brengen in de provinciale rol en sturing, of van provinciaal beleid. Deze besluiten zijn vertaald in de partiële herziening van de structuurvisie in 2014. Op onder andere de volgende onderdelen vindt bijsturing van het beleid plaats: transitie van stad en platteland, intrekken reconstructie- en gebiedsplannen, groenbeleid, samenhangend beleid voor de ondergrond en de transitie naar een zorgvuldige veehouderij. De, ongewijzigde, provinciale sturingsfilosofie is gebaseerd op vijf rollen: ontwikkelen, ordenen, beschermen, regionaal samenwerken en stimuleren. Twee rollen zijn met name van belang voor onderhavig plan: de ordenende en de beschermende rol.


De ordenende rol gaat uit van het behartigen van ruimtelijke belangen en keuzes. Deze zijn geordend in vier ruimtelijke structuren. De structuren geven een hoofdkoers aan: een ruimtelijk ontwikkelingsperspectief voor een combinatie van functies. Maar ook waar functies worden uitgesloten of welke randvoorwaarden de provincie aan functies stelt. Binnen de structuren is ruimte voor regionaal maatwerk. De vier onderscheidende structuren zijn:

  • 1. de groenblauwe structuur: gebieden waar natuur- en waterfuncties behouden en ontwikkeld worden;
  • 2. de agrarische structuur: een breed georiënteerde plattelandseconomie, waar landbouw een belangrijke drager is en waar de landbouwfunctie goed is afgestemd op de omgeving;
  • 3. de stedelijke structuur: alle grote locaties voor wonen, werken en voorzieningen zoals steden, dorpen en bedrijventerreinen, waar de nadruk ligt op concentratie, zorgvuldig ruimtegebruik, ruimtelijke kwaliteit, verknoping aan infrastructuur en versterking van kennisinnovatieve economie;
  • 4. infrastructuur: samenhangend netwerk van wegen, spoorlijnen, vaarwegen, luchthavens en buisleidingen waarbij de nadruk ligt op betere verknoping, bevorderen bereikbaarheid, aandacht voor landschap en goede verdeling over verschillende netwerken.


Het uitgangspunt van de beschermende rol is zorgvuldig ruimtegebruik. Bij ruimtelijke afwegingen betekent dit dat eerst gekeken wordt naar mogelijkheden voor intensivering of hergebruik op of binnen bestaand bebouwd gebied. De provincie wil nieuw ruimtebeslag zoveel mogelijk voorkomen. Bij ontwikkelingen buiten bestaand bebouwd gebied wil de provincie dat de initiatiefnemer zorgt voor een investering in het landschap om daarmee het verlies aan omgevingskwaliteit te beperken.


Beoordeling

De beoogde ontwikkeling is gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied van de kern Valkenswaard. Het plan voorziet in de bouw van één woning in een zijtuin van een bestaand woonperceel. Het plangebied is binnen de provinciale structuurvisie gesitueerd in de stedelijke structuur en wel binnen het 'stedelijk concentratiegebied'. Het beleid van de provincie is er op gericht om stedelijke ontwikkeling in stedelijke concentratiegebieden te bundelen. Op provinciale schaal betekent dit dat het merendeel van de woningbouw, de bedrijventerreinen, voorzieningen en bijbehorende infrastructuur moet plaatsvinden in of aansluitend op de stedelijke concentratiegebieden. Regionaal moeten afspraken gemaakt worden over de verdeling van verstedelijking over de diverse gemeenten.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPdommelseweg141a-ON01_0005.png"

Combinatiekaart van de kaart behorend bij de structuurvisie van de provincie Noord-Brabant gecombineerd met

een kadastrale ondergrond. Ter plaatse van de rode contour is het plangebied gesitueerd.

Bron: ruimtelijkeplannen.nl, 2016.

Conclusie

Het planvoornemen is passend binnen het provinciaal beleid in de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening van de provincie Noord-Brabant.

3.3.2 Verordening ruimte 2014 (15 juli 2015)

Inleiding

In de SVRO zijn de hoofdlijnen van het provinciale beleid voor de komende periode aangegeven. Daarin is voor de doelen en ambities die bereikt moeten worden per onderwerp aangegeven welke instrumenten de provincie wil inzetten. In een aantal gevallen is gekozen voor het instrument 'planologische verordening', bekend als Verordening ruimte. Op 7 februari 2014 is de Verordening ruimte 2014 vastgesteld door Provinciale Staten. Deze stelt regels aan onder meer de bundeling van stedelijke ontwikkeling, natuurontwikkeling, de ontwikkeling van intensieve veehouderijen, waterberging, cultuurhistorie en het agrarisch gebied. De geactualiseerde Verordening ruimte 2014 is gewijzigd vastgesteld op 10 juli 2015 en in werking getreden op 15 juli 2015.


De Verordening ruimte 2014 is opgebouwd volgens het principe van een bestemmingsplan. Dit houdt in dat er zowel 'gebiedsgerichte regels' zijn gesteld als 'algemene regels'. Bij de gebiedsgerichte regels is vervolgens een onderscheid gemaakt naar 'structuren' (basisregels) en 'aanduidingen' (aanvullende of afwijkende regels ten opzichte van de basisregels of andere aanduidingen). Tenslotte zijn er ook een aantal 'procedurele bepalingen'. Aan de hand van deze systematiek wordt onderstaand het plan voor de voorgenomen ontwikkeling getoetst aan de relevante onderdelen uit de Verordening ruimte 2014.


Hoofdstuk 3 'Structuren'


Toetsingskader

Het grootste deel van het plangebied is gelegen binnen de structuur 'bestaand stedelijk gebied' aangeduid als stedelijk concentratiegebied. Het beleid van de provincie is er al decennia lang op gericht om stedelijke ontwikkeling te bundelen in stedelijke concentratiegebieden. Het doel van dit beleid is om voldoende draagvlak te creëren voor steden als economische en culturele motor en om het dichtslibben van het landelijk gebied tegen te gaan. Op provinciale schaal betekent dit dat het merendeel van de woningbouw, de bedrijventerreinen, voorzieningen en bijbehorende infrastructuur zich moet vestigen in of aansluitend op de stedelijke concentratiegebieden. Hoofdregel van het beleid is dat stedelijke ontwikkeling binnen het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPdommelseweg141a-ON01_0006.png"

Combinatiekaart van de kaart behorende bij de Verordening ruimte met de kadastrale ondergrond. Binnen de

rode contour is het plangebied gelegen. Bron: ruimtelijkeplannen.nl, 2016.

Hoofdstuk 2 Algemene regels

Toetsingskader

Een ruimtelijk plan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling moet bijdragen aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving, in het bijzonder aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Het gaat hier om vier aspecten:

a. Toepassing van het principe van zorgvuldig ruimtegebruik;

Het provinciaal beleid is al jaren gericht op het bundelen van de verstedelijking en het streven naar zorgvuldig ruimtegebruik. De provincie wil daarmee de groei en de spreiding van het stedelijk ruimtebeslag afremmen en de huidige omvang van het landelijk gebied zoveel mogelijk behouden.

b. Gevolgen ontwikkeling voor het plangebied en omgeving;
In het bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de gevolgen van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling voor de in het plan begrepen gronden en de naaste omgeving, in het bijzonder wat betreft de bodemkwaliteit, de waterhuishouding, de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, de cultuurhistorische waarden, de ecologische waarden, de aardkundige waarden en de landschappelijke waarden alsmede de op grond van deze verordening toegelaten ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden.

c. Passendheid omvang beoogde bebouwing in de omgeving;
De omvang van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling, in het bijzonder wat betreft de omvang van de beoogde bebouwing, dient te passen in de omgeving.

d. Afwikkeling van personen en goederenvervoer;
Een op de beoogde ruimtelijke ontwikkeling afgestemde afwikkeling van het personen- en goederenvervoer, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor, waaronder ook openbaar vervoer, dient te zijn verzekerd.

Beoordeling

Bij toetsing aan de vier aspecten van de zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit kan het volgende worden gesteld:


a. Toepassing van het principe van zorgvuldig ruimtegebruik;

Voorliggend stedelijke ontwikkeling is gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied. Er is sprake van de bouw van één woning op een inbreidingslocatie. Met deze ontwikkeling is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik;

b. Gevolgen ontwikkeling voor het plangebied en de omgeving;

Toetsing van het planvoornemen aan de fysieke milieuwaarden en de historische kwaliteit van het plangebied en de (directe) omgeving vindt plaats in hoofdstuk 4 van dit bestemmingsplan;

c. Passendheid omvang beoogde bebouwing in de omgeving;

De omgeving van het plangebied betreft voornamelijk gronden die in gebruik zijn voor woonfunctie. De ontwikkeling van een woning temidden van deze woonbestemmingen is passend.

d. Afwikkeling van personen en goederenvervoer;

Het plangebied is direct gesitueerd aan de Dommelsweg, de doorgaande weg door de kern van Valkenswaard. De afwikkeling van één huishouden is hier geen probleem. Ten aanzien van het parkeren kan gesteld worden dat dit volledig op eigen terrein plaats dient te vinden. In het kader van voorliggend planvoornemen, de realisatie van één woning, is dit geen probleem en biedt het perceel voldoende ruimte om een tweetal parkeerplaatsen te realiseren.


Conclusie

De beoogde ontwikkelingen in het plangebied zijn passend binnen de Verordening ruimte van de provincie Noord-Brabant.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Structuurvisie Valkenswaard

Toetsingskader

De gemeenteraad van Valkenswaard heeft op 2 juli 2012 op grond van artikel 2.1 van de Wet ruimtelijke ordening de Structuurvisie Valkenswaard deel A vastgesteld. Dit deel van de structuurvisie dient als ruimtelijk toetsingskader en visie op hoofdlijnen gericht op de lange termijn. De visie formuleert niet alleen de ontwikkelingskoers voor de lange termijn maar biedt tevens het casco voor concrete projecten en plannen. Het is dus een toetsingskader, maar tegelijkertijd ook een inspiratiekader voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het ruimtelijk-functioneel programma en uitvoeringsplan voor de korte (en middellange) termijn is uitgewerkt in deel B (vastgesteld op 28 november 2013).


In deel A van de structuurvisie is een visie beschreven voor de bebouwde kom van Valkenswaard. Valkenswaard is ten opzichte van Dommelen en Borkel en Schaft de meest stedelijke kern. Dit betekent dat er meer mogelijkheden zijn voor nieuwe ontwikkelingen, vooral in het centrum en aan de randen van het centrum.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPdommelseweg141a-ON01_0007.png"

Uitsnede kaart behorende bij de Structuurvisie Valkenswaard. Ter plaatse van het witte kader is het plangebied

gelegen.

Beoordeling

Voorliggende ontwikkeling situeert zich binnen het stedelijk gebied van de kern Valkenswaard aan een woonlint, zoals aangeduid op de kaart behorende bij de structuurvisie. Het beleid in deze linten is erop gericht de oorspronkelijke diversiteit in de bebouwing te handhaven met de mogelijkheid om binnen de bestaande context (in relatie met de omgeving) gericht nieuwe elementen toe te voegen. Voorliggend bestemmingsplan maakt het mogelijk om één woning te realiseren in een zijtuin van een woning die gesitueerd is aan het woonlint. De ontwikkeling binnen het plangebied betreft hiermee een inbreiding. De woning wordt ingepast in het woonlint, in lijn met de reeds bestaande woningen aan de Dommelseweg. Aan de hand hiervan kan geconcludeerd worden dat de ontwikkeling passend is binnen de Structuurvisie van de gemeente Valkenswaard.


Conclusie

De ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten van de Structuurvisie Valkenswaard.

3.4.2 Beeldkwaliteit in het vizier, welstandsnota Valkenswaard

Toetsingskader

De gemeente Valkenswaard heeft in juni 2004 de welstandsnota vastgesteld die als wettelijke basis dient voor het welstandsbeleid binnen de gemeente. In deze nota is Valkenswaard ingedeeld in een aantal clusters van gebieden. Het verstedelijkingspatroon binnen de gemeente is sterk bepalend (geweest) voor de stedelijke ontwikkeling en opbouw van de bebouwde omgeving. Historisch gegroeide gebieden nemen door hun ligging, cultuurhistorische context en/of bebouwingseigenschappen een bijzondere plaats in. Deze gebieden zijn nader onderverdeeld in drie clusters, te weten 'historische dorpsgebieden', 'historische bebouwingslinten' en 'gemengde bebouwing'.


Beoordeling

De Dommelseweg wordt binnen de welstandsnota gevat onder de 'historische bebouwingslinten'. De Dommelseweg is een westelijk georiënteerde ontsluitingsweg die het centrum van Valkenswaard met de kern Dommelen verbindt. De weg heeft een breed profiel met dicht op elkaar gebouwde woningen, met ter hoogte van de Dijkstraat richting Dommelen meer vrijstaande woningen met voortuinen. De historische gevelrooilijn van de Dommelseweg dient zoveel mogelijk gehandhaafd te blijven. De bebouwing dient maximaal twee lagen plus kap te krijgen waarbij de nokrichting evenwijdig aan de weg ligt. De gevelindeling heeft een verticale geleding en is eenvoudig en ingetogen van detaillering. Het materiaal en kleurgebruik passen binnen de historische context van het lint.


Het woonperceel dat mogelijk gemaakt wordt in dit bestemmingsplan is voorzien in de gevelrooilijn van de Dommelseweg. De nieuwe woning kan maximaal uit twee lagen met een kap bestaan. Bij de historische bebouwingslinten dienen specifieke welstandscriteria te worden gehanteerd. Het betreft hier criteria met betrekking tot de relatie met de omgeving, het bouwwerk op zichzelf en de detaillering. Er is nog geen concreet bouwkundig ontwerp aanwezig. Enkele uitgangspunten zijn vertaald in de regels van onderhavig bestemmingsplan.


Conclusie

Het initiatief voldoet aan de gemeentelijke welstandsnota. Het bouwplan zal te zijner tijd voorgelegd worden aan en beoordeeld worden door de welstandscommissie, alvorens vergunning wordt verleend.

3.4.3 Beleidsnota parkeernormering gemeente Valkenswaard

Toetsingskader

Op 19 oktober 2008 heeft de gemeente Valkenswaard parkeerbeleid vastgesteld, waarin voor elke locatie binnen de gemeente helder is gemaakt welke parkeernorm voor welk type voorziening/woning van toepassing is. Doel van het stellen van een parkeernorm is het voorkomen of oplossen van parkeerproblemen aan het begin van de planvorming. Door het hanteren van de normen ontstaat inzicht in de parkeerbehoefte en kan op voorhand een ruimtelijk, economisch en verkeerskundig kader worden geschetst.


Beoordeling

Het plangebied is gelegen in deelgebied 'Rest bebouwde kom'. Binnen dit gebied geldt voor vrijstaande woningen een norm van 2,0 parkeerplaatsen per woning. Voor voorliggende ontwikkeling geldt dat twee opstelplaatsen voor auto's op het eigen terrein gerealiseerd dienen te worden. In de regels behorend bij dit bestemmingsplan is dit geborgd.


Conclusie

Voldaan kan worden aan de parkeernormen voortkomend uit de gemeentelijke beleidsnota parkeernormering.

3.4.4 Woonvisie gemeente Valkenswaard 2014-2020

Toetsingskader

Op 27 november 2014 is de 'Woonvisie gemeente Valkenswaard, Samen aan de slag met de woonopgaven 2014-2020' vastgesteld door de gemeenteraad. In de woonvisie wordt kwantitatief en kwalitatief richting gegeven aan de toekomst van het wonen in Valkenswaard en worden ambities geformuleerd die de gemeente in de periode tot 2020 willen bereiken met een doorkijk naar het jaar 2030. De gemeente wil toekomstige ontwikkelingen kunnen blijven initiëren, voldoende woningbouwmogelijkheden hebben voor de eigen behoefte (incl. bijbehorend programma) en kunnen sturen op gewenste ontwikkelingen. De gemeente Valkenswaard stuurt op basis van de volgende kaders: het bieden van een woning en woonomgeving waar gezien demografische en maatschappelijke trends een vraag naar is én het daarop afstemmen van het aanbod als vastgelegd in de planvoorraad, bestaande uit zowel gemeentelijke als particuliere projecten of een combinatie van beide. Dit aanbod wordt vergeleken met de huidige voorraad. Om te kunnen sturen op de woningbouwopgave is in augustus 2013 door Fakton een analyse van de woningmarkt en de bouwopgave uitgevoerd.


Beoordeling

Met voorliggende ontwikkeling aan de Dommelseweg wordt voorzien in het realiseren van één nieuw woonperceel. Voorliggende ontwikkeling aan de Dommelseweg speelt in op de actuele woningbehoefte naar woningen in Valkenswaard, maar draagt, gezien zijn omvang, niet in grote mate bij aan de ontwikkelingsstrategie beschreven in de woonvisie van de gemeente Valkenswaard. Aangezien voorliggend plangebied in een eerder stadium onderdeel heeft uitgemaakt van de nieuwbouwlocatie Barentzstraat, kan gesteld worden dat voorliggend plan is opgenomen in de Woonvisie als koopwoningen met een prijs van ca. €180.000,- tot €215.000,-. Gezien de ligging van het bouwperceel en de mogelijkheid tot de bouw van een vrijstaande woning wordt deze prijs wellicht nog hoger, en valt de woning binnen het segment >€215.000,-. Deze kunnen toebehoren aan starters en middeninkomens, volgens het schema behorend bij de Woonvisie van de gemeente Valkenswaard. Het project draagt bij aan het realiseren van voldoende betaalbare koopwoningen voor starters en gezinnen. Bovendien biedt de nieuwbouwwoning kansen om bewoners tot doorloop te verleiden naar een duurdere koopwoning, waardoor scheefwonen kan worden voorkomen.


Conclusie

Voorliggend plan is passend binnen de Woonvisie van de gemeente Valkenswaard.

Hoofdstuk 4 Bestaande situatie

Voor nader onderzoek naar de bestaande situatie is nagegaan welke ruimtelijke en functionele kwaliteiten in het plangebied aanwezig zijn. Daarnaast is gekeken naar de aspecten die met de fysieke milieuwaarden samenhangen. Verder wordt in dit hoofdstuk de historische kwaliteit beschreven, waarbij archeologie en cultuurhistorie aan bod komen.

4.1 Bestaande ruimtelijke kwaliteit

Het plangebied ligt aan de Dommelseweg, één van de uitvalswegen van Valkenswaard met een breed profiel. De geasfalteerde rijbaan is aan beide zijden voorzien van een parkeerstrook, vrijliggend fietspad en trottoir. Nabij het plangebied is een bushalte aanwezig. De bebouwing langs de Dommelseweg is individueel vormgegeven met veelal traditionele vrijstaande woningen, maar ook enkele twee-onder-één-kap woningen. De rooilijn van de naast elkaar gelegen panden aan de Dommelseweg varieert beperkt, waardoor er in de straat sprake is van een doorgaande rooilijn. De bouwhoogte bedraagt één tot twee bouwlagen met kap en de kapvorm en -richting is wisselend.

Aan de Dommelseweg is nauwelijks openbaar groen aanwezig. Dit staat in contrast met het aangrenzende buitengebied en het Dommeldal. Het groene beeld in de straat wordt grotendeels bepaald door het privé-groen in de voortuinen. Het plangebied zelf is in gebruik als tuin en volledig vrij van bebouwing en geheel onverhard.

4.2 Bestaande functionele kwaliteit

In functioneel opzicht is het plangebied gelegen in een bebouwingslint dat overwegend uit woningen bestaat. Het is in gebruik als zijtuin bij de woning aan de Dommelseweg 143. De tuin is volledig vrij van bebouwing, geheel onverhard en voorzien van struiken en enkele bomen. Ten zuiden van het plangebied is het bedrijventerrein 'perceel Hoeks' gesitueerd. In het noordelijke deel van dit terrein, grenzend aan het plangebied worden 14 woningen gerealiseerd op een voormalig bedrijfsperceel. Reeds is hiervoor een procedure doorlopen (NL.IMRO.0858.OVbarentszstraat2-VA01, vastgesteld 14 april 2016). Hierdoor wordt het plangebied volledig omgeven door woningen.

4.3 Fysieke milieuwaarden

4.3.1 Water

Toetsingskader

De laatste jaren dient in ruimtelijke plannen steeds meer aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. De integratie van water in ruimtelijke plannen wordt landelijk ondersteund. In de Startovereenkomst Waterbeleid 21e eeuw tussen rijk, provincies, Waterschappen en gemeenten (d.d. 14 februari 2001) is overeengekomen dat vanaf de ondertekening van deze overeenkomst op alle voor de waterhuishouding relevante nieuwe ruimtelijke plannen een zogenaamde watertoets uitgevoerd dient te worden. Concreet betekent de invoering van de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 lid 1, sub b Bro.


Beleid provincie Noord-Brabant en Waterschap De Dommel

Op regionaal niveau is de provincie verantwoordelijk voor het beleidsveld water. Vigerend is het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 van 18 december 2015. Het PMWP is de structuurvisie voor het aspect water op grond van de Wet ruimtelijke ordening. Het plan bevat de verplichte onderdelen vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water. Behalve dat het PMWP de uitgangspunten aangeeft voor het waterbeleid van waterschappen en gemeenten, toetst de provincie aan de hand van dit plan ook of de plannen van de waterschappen passen in het provinciale beleid. Als algemene uitgangspunten zijn onder andere te noemen de scheiding van relatief schone en vuile waterstromen en het benutten van mogelijkheden voor infiltratie en/of conservering van hemelwater.


Voor het beheer van het oppervlaktewater is in onderhavig plangebied het Waterschap De Dommel verantwoordelijk. Het beleid is er op gericht om het watersysteem op orde te brengen en vervolgens op orde te houden. Dit betekent dat er zo min mogelijk wateroverlast ontstaat en dat de waterkwaliteit voldoende is. Het beleid van het waterschap De Dommel is gericht op het voorkomen van rechtstreekse lozingen op het oppervlaktewater. De voorkeursvolgorde voor het omgaan met hemelwater is 'vasthouden, bergen, afvoeren'. Ten aanzien van de waterkwaliteit is de voorkeursvolgorde 'schoonhouden, scheiden en zuiveren'. Voor nieuwbouwinitiatieven is het uitgangspunt dat deze 'waterneutraal' dienen te zijn. Dit betekent dat de ontwikkelingen niet mogen leiden tot verslechteringen aan het watersysteem. Voorkomen moet worden dat het water versneld afvoert ten gevolge van een toename van het verhard oppervlak. Schone oppervlakken worden indien mogelijk niet op een gemengd rioleringssysteem aangesloten. De voorkeur gaat uit naar een aansluiting van het hemelwater op een afzonderlijk hemelwaterstelsel. Voor daken, goten en overige regenwatervoorzieningen en wegverhardingen dienen bij voorkeur niet-uitlogende bouwmaterialen te worden gebruikt. Om de waterkwaliteit te verbeteren, wordt ook in bestaande situaties waar mogelijk schoon verhard oppervlak afgekoppeld van het rioolstelsel. Deze oppervlakken krijgen een eigen afvoervoorziening, waardoor het gemengd stelsel minder wordt belast. Hiermee wordt het aantal overstortgebeurtenissen met vervuild water vanuit het gemengde stelsel verminderd.


Uniformering Keuren 

De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben in de Noord- Brabantse Waterschapsbond (NBWB) besloten om de Keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren. Hierbij is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen. Er is conform het nieuwe landelijke model een sterk gedereguleerde Keur opgesteld, met bijbehorende algemene regels en beleidsregels. Deze zijn voor de drie waterschappen gelijkluidend. De nieuwe uniforme Keuren zijn gezamenlijk in werking getreden op 1 maart 2015.


In de nieuwe Keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning hemelwater door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij:

  • a. het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m2 is, of;
  • b. de toename van verhard oppervlak maximaal 2.000 m2 is, of;
  • c. de toename van verhard oppervlak bestaat uit een sedum dak.
  • d. de toename van verhard oppervlak tussen 2.000 m2 en 10.000 m2 is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x Gevoeligheidsfactor x 0,06.

Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Valkenswaard 2013 - 2017

In het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP) van Valkenswaard wordt aangegeven dat bij nieuwbouw in te ontwikkelen in- of uitbreidingsplannen ten allen tijde riolering dient te worden aangelegd. Bij de realiatie van inbreidings- en nieuwbouwplannen dient het stedelijk afvalwater gescheiden ingezameld te worden van andere waterstromen door middel van een gemeentelijk vuilwaterriool. Nieuwbouw wordt hydrologisch neutraal ontwikkeld conform het beleid van waterschap De Dommel.


Beoordeling

Onderhavig initiatief betreft de bouw van een vrijstaande woning op een perceel dat momenteel in gebruik is als (zij)tuin. Gezien de oppervlakte van het bouwperceel van 617 m2 betekent dit dat de toename aan verhard oppervlak ruim onder de grenswaarde van 2.000 m2 ligt, zoals opgenomen als ondergrens in de Keur. De ontwikkeling is vrijgesteld van een bergings- en infiltratievoorziening en voldoet hiermee aan het beleid van Waterschap De Dommel.

Als uitgangspunt geldt verder dat er bij het bouwen van de woning geen uitloogbare materialen (bijvoorbeeld zinken dakgoten, etc.) worden gebruikt die mogelijk de waterkwaliteit negatief kunnen beïnvloeden. Dit is conform het advies van de Dubo-richtlijn (Duurzaam Bouwen). In het Lozingenbesluit Bodembescherming staat dat niet-verontreinigd hemelwater in principe in de bodem geïnfiltreerd kan worden of afgevoerd kan worden naar het oppervlaktewater, ook als dat in contact is geweest met oppervlakten zoals daken. Het hemelwater en huishoudelijk afvalwater wordt gescheiden aangeboden aan de perceelsgrens en vervolgens aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering.


Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het aspect water geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling.

4.3.2 Bodem

Toetsingskader

Het landelijk beleid gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. Met andere woorden, de bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem. De gewenste functie bepaalt als het ware de gewenste bodemkwaliteit. Voor alle bestemmingen waar een functiewijziging of herinrichting wordt voorzien, dient de bodemkwaliteit door middel van een bodemonderzoek in beeld te worden gebracht. Indien op grond van historische informatie blijkt dat in het verleden bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden, dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Op basis van de onderzoeksresultaten kan vervolgens worden nagegaan of er vervolgmaatregelen getroffen moeten worden, zoals een nader onderzoek of eventueel een (functiegerichte) sanering.


Beoordeling

Voorliggend plangebied heeft in het vigerend bestemmingsplan al de bestemming 'Wonen'. De bodem is dan ook al geschikt voor de woonfunctie. Middels voorliggende ontwikkeling wordt een bouwvlak toegevoegd, waardoor het mogelijk is een woning te ontwikkelen in het plangebied. In het verleden hebben er geen bodembedreigende activiteiten plaatsgevonden op het perceel. Belemmeringen ten aanzien van het aspect bodem worden dan ook niet verwacht. Ten tijde van de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen dient een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd te worden.


Conclusie

Het aspect bodem is geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. Ten tijde van de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd.

4.3.3 Natuurgebieden

Toetsingskader

De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet.

De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen.

De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. Onderdeel van deze gebiedsbescherming wordt gevormd door het Programma Aanpak Stikstof 2015 – 2021 (PAS), welke in werking is getreden per 1 juli 2015. Het PAS betreft een programma, voorheen op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 en gecontinueerd onder de Wnb, en heeft als doel om de depositie van stikstof op de Natura 2000-gebieden te verminderen, de natuur te versterken en ruimte te bieden voor economische ontwikkelingen.


Beoordeling

Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied betreft 'Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux' op een afstand van circa 0,6 km. Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. In onderhavige situatie is er sprake van de ontwikkeling van één vrijstaande woning op een binnenstedelijke locatie in Valkenswaard. Gelet op de aard en omvang van onderhavig initiatief is er geen sprake van relevante emissies. Onderhavige ontwikkeling heeft derhalve met zekerheid geen mogelijk effect tot gevolg op de Natura 2000-gebieden.


Conclusie

Onderhavig initiatief voldoet aan de vereisten van de Wet natuurbescherming.

4.3.4 Flora en fauna

Toetsingskader

De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2016, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet.

De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. Voor de soortenbescherming is wettelijk bovendien rechtstreeks verwezen naar het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn.

Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van dit soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten.

Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPdommelseweg141a-ON01_0008.png"

Luchtfoto ter plaatse van het plangebied. Binnen de rode contour is het plangebied gelegen, dat nu in

gebruik is als tuin bij de woning aan de Dommelseweg 141. Bron: globespotter.cyclomedia.com, 2017.


Beoordeling

Het plangebied is in gebruik als tuin bij een woning. Het plangebied kent een hoge mate van cultivering. De gronden zijn in gebruik als gazon, met daarom heen als begrenzing van de tuin enkele kleine struiken en planten. De tuin wordt intensief onderhouden. Er is geen sprake van waardevolle groenstructuren of bomen, waardoor de ecologische waarden van het plangebied laag worden ingeschat. Er komen naar alle waarschijnlijkheid hooguit enkele algemene soorten voor waarvoor geen ontheffing noodzakelijk is. Er bestaat dan ook geen noodzaak tot het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPdommelseweg141a-ON01_0009.png"

Foto van het plangebied gezien vanuit de Dommelseweg. Bron: globespotter.cyclomedia.com, 2017.


De werkzaamheden dienen zodanig gepland te worden dat er geen eventueel broedende vogels in de omgeving worden verstoord. Door de Wet natuurbescherming zijn alle bewoonde vogelnesten beschermd. Het is aan te raden om te weten buiten het broedseizoen van de meeste vogels (grofweg vanaf 15 maart - 15 juli). Daarnaast is er een zeer kleine kans dat er tijdens de werkzaamheden alsnog een beschermde soort wordt aangetroffen. In dat geval moeten de werkzaamheden worden stilgelegd totdat er een ontheffing in het kader van de Flora- en faunawet is verkregen. Er geldt immers een rechtstreeks geldende zorgplicht op grond van de Wet natuurbescherming.


Conclusie

Het aspect flora en fauna is geen belemmering voor het planvoornemen.

4.3.5 Wegverkeerslawaai

Toetsingskader

Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor:

  • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh - het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012);
  • de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg;
  • functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid).


De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. Onderstaande tabel geeft hier een overzicht van:

  Stedelijk   Buitenstedelijk  
  Aantal meter aan weerszijden van de weg  
5 of meer   350 m   600 m  
3 of 4   350 m   400 m  
1 of 2   200 m   250 m  

Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen.


Uit een akoestisch onderzoek moet blijken of, indien sprake is van een van de bovengenoemde ontwikkelingen binnen een zone als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh, deze binnen de waarden valt zoals deze voor diverse typen ontwikkelingen is vastgelegd in de Wgh. De grenswaarde voor de toelaatbare etmaalwaarde van de equivalente geluidbelasting van wegen binnen zones langs wegen is voor woningen 48 dB. In bijzondere gevallen is een hogere waarde mogelijk; Burgemeester en Wethouders zijn binnen de grenzen van de gemeente en onder voorwaarden bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting.


Beoordeling

Door Econsultancy is in juni 2016 een akoestisch onderzoek uitgevoerd met als doel de geluidbelasting ten gevolge van wegverkeer op de woning inzichtelijk te maken en te toetsen aan het wettelijk kader. De rapportage van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 1 van deze toelichting.


De woning is gelegen in de geluidzone van de Dommelseweg. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn tevens de nabijgelegen 30 km/u wegen (Barentszstraat en Jan Vlekkestraat) in het onderzoek betrokken. De geluidbelastingen ten gevolge van de Barentszstraat en Jan Vlekkestraat bedragen maximaal 40 dB en zijn daarmee ruim lager dan de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting. De geluidbelasting ten gevolge van de Dommelseweg op de woning is met 58 dB op de noordgevel hoger dan de ten hoogste toelaatbare waarde van 48 dB, maar nog ruim lager dan de maximaal te ontheffen waarde van 63 dB. Door de overschrijding is een afweging van geluidreducerende maatregelen voor de Dommelseweg noodzakelijk.De Dommelseweg beschikt al over een geluidsreducerend wegdek. Het realiseren van geluidswallen en/of schermen staat nooit in verhouding tot de kleinschaligheid van het project. Bron- en overdrachtsmaatregelen worden voor hetp langebied dan ook niet doelmatig geacht. Voor de nieuwe woning dient ten gevolge van de overschrijding van de ten hoogste toelaatbare waarde van de Dommelseweg een hoge waarde vastgesteld te worden.

Voor de woningen dient het akoestisch klimaat in de woning (de zogenaamde binnenwaarde) van maximaal 33 dB te worden gegarandeerd. Ten tijde van de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen dient, om geluidhinder in de nieuw te bouwen woning te voorkomen, een aanvullend onderzoek plaats te vinden naar de geluidwering van de gevels.


Conclusie

Ten behoeve van de ontwikkeling dient een hogere grenswaarde vastgesteld te worden, dat tezamen met het ontwerp bestemmingsplan ter inzage wordt gelegd.

4.3.6 Luchtkwaliteit

Toetsingskader

In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht.


De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO).


Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3. Het 24-uursgemiddelde van 50 µg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3. Het 24-uursgemiddelde van 200 µg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden.


De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen.


Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als:

  • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt;
  • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging;
  • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden.


In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het NSL op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2.


In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. De wettelijke ondergrens voor onderzoek bedraagt onder andere de realisatie van 1.500 woningen bij minimaal 1 ontsluitingsweg.


Beoordeling

Onderhavige ontwikkeling betreft de bouw van één woning. Gesteld kan worden dat een dergelijke ontwikkeling in vergelijking met de realisatie van 1.500 woningen van een dermate klein schaal is dat het project gezien kan worden als een project dat 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdraagt aan het verslechteren van de luchtkwaliteit. Een nader onderzoek naar de invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.


Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling.

4.3.7 Milieuhygiënische aspecten bedrijven

Toetsingskader

Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige gebieden zoals woonwijken. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' van de VNG uit 2009. Bedrijven zijn hierin opgenomen in een tabel, die is ingedeeld in milieucategorieën, waarbij per bedrijf is aangegeven wat de afstand tot een rustige woonwijk dient te zijn (de zogenaamde afstandentabel). Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. Er kan (enigszins) van afgeweken worden in situaties waarin geen sprake is van een rustige woonwijk of bij afwijkende bedrijven. In het algemeen wordt door middel van het aanbrengen van een zonering tussen bedrijvigheid en woonbebouwing de overlast ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden.


Beoordeling

In de VNG-handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' worden twee soorten omgevingstypen onderscheiden: 'rustige woonwijk en rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. Het plangebied ligt in een omgeving waar naast woningen (langs de Dommelseweg) ook andere functies (winkels en kleine bedrijven) voorkomen. Op basis hiervan blijkt er geen sprake te zijn van een 'rustige woonwijk', zoals omschreven in de VNG-handreiking, maar van een 'gemengd gebied'. Bovendien is het plangebied gelegen langs een hoofdinfrastructuur, waardoor het plangebied eveneens kan worden gevat onder het omgevingstype gemengd gebied. Hiervoor geldt dat de in de VNG-handreiking opgenomen richtafstanden met één afstandsstap verlaagd kunnen worden, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied.


Ten zuiden van het plangebied was het bedrijf 'Hoeks Grondwerken BV' gelegen. Deze bedrijfsvoering is echter reeds beëindigd en op de locatie wordt woningbouw gerealiseerd. Deze voormalige bedrijfslocatie is dus niet meer in gebruik en geen onderdeel van deze toetsing. In onderstaand schema zijn de diverse relevante bedrijven die in de directe omgeving van het plangebied gesitueerd zijn opgenomen, inclusief bijbehorende richtafstand op basis van het uitgangspunt 'gemengd gebied'.

Bedrijf - Instelling
(benaming cf. VNG-publicatie)  
Categorie   Richtafstand VNG-brochure   Werkelijke afstand  
Supermarkt
Barentszstraat 3  
1   0 meter   ca. 40 meter  
Handel in auto's en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven
Van Linschotenstraat 1  
2   10 meter   ca. 95 meter  
Detailhandel voor zover niet elders genoemd
Van Linschotenstraat 2  
1   0 meter   ca. 50 meter  
Handel in auto's en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven
Van Linschotenstraat 3  
2   10 meter   ca. 75 meter  
Handel in auto's en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven
Van Linschotenstraat 4B  
2   10 meter   ca. 100 meter  
Elektrotechnische industrie niet elders genoemd
Van Linschotenstraat 8  
2   10 meter   ca. 90 meter  
Bouwmarkten, tuincentra, hypermarkten
Van Linschotenstraat 12  
2   10 meter   ca. 120 meter  

Geconcludeerd kan worden dat ten aanzien van de aanwezige bedrijvigheid in de directe omgeving van het plangebied alle richtafstanden uit de VNG-publicatie gehaald kunnen worden met als uitgangspunt dat ter plaatse sprake is van een gemengd gebied. Van hinder vanuit deze bedrijvigheid op het planvoornemen is geen sprake. Ook is het planvoornemen geen belemmering voor bedrijvigheid in de directe omgeving van het plangebied, aangezien het plangebied al wordt omgeven door bestaande woningen.


Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering vormt voor onderhavig planvoornemen.

4.3.8 Externe veiligheid

Algemeen

In het kader van de bestemmingsplanprocedure moet het aspect externe veiligheid onderzocht worden. Hierbij dienen de risico's in beeld gebracht te worden die het gevolg zijn van opslag, vervoer of verwerking van gevaarlijke stoffen. Risicobronnen zijn bijvoorbeeld vervoersassen, waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, buisleidingen en risicovolle inrichtingen.

Externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans.

Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven in de vorm van contouren rond een risicobron. Het groepsrisico wordt weergegeven in een grafiek: de fN-curve. Deze curve geeft aan hoe groot de kans is op een ongeval met een bepaald aantal slachtoffers. De plaatsgebonden risicocontouren en de fN-curve zijn weergegeven in onderstaande afbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPdommelseweg141a-ON01_0010.png"

Plaatsgebonden risicocontouren en fN-curve

Binnen de plaatsgebonden risicocontouren bestaat een bepaald risico te overlijden als gevolg van een calamiteit. Binnen deze contouren gelden harde bouwrestricties. Deze restricties kunnen per risicobron verschillen.

De hoogte van het groepsrisico wordt niet alleen bepaald door de aard van de risicobron, maar ook door het aantal aanwezige personen binnen het invloedsgebied daarvan. Bij veel ruimtelijke besluiten moet de hoogte van dit groepsrisico verantwoord worden. Dit noemt men de verantwoording van de groepsrisico.

4.3.8.1 Inrichtingen en externe veiligheid

Toetsingskader

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn o.a. standaardafstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico. Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. In artikel 1 van het Bevi wordt toegelicht wat wordt verstaan onder (beperkt) kwetsbare objecten. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPdommelseweg141a-ON01_0011.png"

Uitsnede van de risicokaart. Binnen de blauwe cirkel is het plangebied gelegen. Bron: risicokaart.nl, 2016.

Beoordeling

Om te bepalen of er in de directe omgeving bedrijven zijn gelegen waarop het Bevi van toepassing is, is de risicokaart geraadpleegd. De dichtstbijzijnde inrichting betreft de 'Dommelsche Bierbrouwerij' op een afstand van circa 1,26 km. De inrichting bestaat uit een ammoniakinstallatie, waarvoor een risicoafstand geldt van 35 meter. Het plangebied is gelegen op een zeer ruime afstand van deze installatie, waardoor deze inrichting geen belemmering vormt voor onderhavig planvoornemen. De risicokaart toont verder geen relevante inrichtingen die een risico kunnen vormen voor het onderhavige initatief.

Conclusie

Het aspect inrichtingen en externe veiligheid is geen belemmering voor het planvoornemen.

4.3.8.2 Transport en externe veiligheid

Toetsingskader

Beoordeling van de risico’s veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, het water en de weg dient plaats te vinden aan de hand van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), als in werking per 1 april 2015. Bij het besluit horen grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet Weg, Water en/of Spoor kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden die in bijlage I, II en III van de Regeling basisnet zijn opgenomen. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Voor het Basisnet Weg geldt dat daar waar in de tabel van bijlage 2 van het Bevt de afstand ‘0’ is vermeld het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer op het midden van de weg niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar.

Beoordeling

Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante transportassen zijn gelegen, is de risicokaart geraadpleegd. De rijks-, vaar en spoorwegen zijn daarvoor in ogenschouw genomen. De risicokaart toont geen transportassen die een risico kunnen vormen voor het planvoornemen.

Conclusie

Het aspect transport en externe veiligheid is geen belemmering voor voorliggend initiatief.

4.3.8.3 Buisleidingen en externe veiligheid

Toetsingskader

Wanneer sprake is van relevante buisleidingen in een gebied, dient de gemeente een ruimtelijke reservering op te nemen in het bestemmingsplan voor het plaatsgebonden risico (PR) en een verantwoording van het groepsrisico (GR). Binnen de PR 10-6 risicocontour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn en zo mogelijk ook geen beperkt kwetsbare objecten. Het invloedsgebied reikt bij brandbare vloeistoffen tot net buiten de 10-6 contour, voor leidingen met aardgas en chemicaliën moet dat per geval bekeken worden. De ruimtelijke reserveringen ten behoeve van de buisleidingen dienen binnen 5 jaar opgenomen te worden in het bestemmingsplan. De voor onderhoud gereserveerde ruimte bedraagt minimaal 5 meter aan beide zijden van de leiding.

Beoordeling

Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante buisleidingen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd. De risicokaart toont geen buisleidingen die een risico kunnen zijn voor het planvoornemen.

Conclusie

Het aspect buisleidingen en externe veiligheid is geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.3.9 Kabels en leidingen

Toetsingskader

De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer.

  • a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger;
  • b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar;
  • c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar;
  • d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom;
  • e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken.

Beoordeling

Ter plaatse van het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig.

Conclusie

Er zijn geen belemmeringen voor het planvoornemen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen.

4.3.10 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling

Toetsingskader

Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is:

  • 1. plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.-(beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.);
  • 2. plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden;
  • 3. plannen en activiteiten die op grond van een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MER-plichtig.

Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criterium om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen.

Beoordeling

In het plangebied wordt één woning mogelijk gemaakt. Dit betreft geen activiteit die voortkomt op de C-lijst. De activiteit komt wel voor op de D-lijst, onder categorie D 11.2, namelijk de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. In het geval van een stedelijk ontwikkelingsproject is direct een m.e.r.-procedure noodzakelijk als het plan een kader biedt voor een activiteit met een oppervlakte van 100 hectare of meer, de bouw van 2.000 woningen of meer in een aaneengesloten gebied of een bedrijfsvloeroppervlakte heeft van 200.000 m2 of meer. Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling ver beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. Wat betreft het eerste criterium geldt er derhalve geen plicht tot het opstellen van een MER.

Middels de toetsing aan de overige milieuaspecten in dit hoofdstuk heeft een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden. Hieruit zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen gebleken, waaruit bovendien geconcludeerd kan worden dat er geen noodzaak is tot het opstellen van een MER.

Ten aanzien van het tweede criterium inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant effect op Natura-2000 gebieden. Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk significant effect op de Natura 2000-gebieden.

Ten aanzien van het derde criterium geldt dat onderhavige activiteit niet is aangewezen als MER-plichtig op grond van de Provinciale milieuverordening Noord-Brabant 2010. Er is dus geen sprake van de verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure.

Conclusie

Zoals beschreven is er bij onderhavig plan geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de m.e.r.-procedure op grond van het Besluit m.e.r. en de Wet natuurbescherming of de Provinciale milieuverordening Noord-Brabant 2010. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling, die neerkomt op hetgeen getoetst is in deze toelichting, volgt dat er geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er is dus voldaan aan de wettelijke verplichtingen hieromtrent.

4.4 Historische kwaliteit

4.4.1 Archeologie

Toetsingskader

In Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Sinds 2007 kent Nederland de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz, gewijzigde Monumentenwet 1988). Op basis van deze wet zijn gemeenten verplicht een archeologisch beleid te voeren. Daarbij hoort ook dat de archeologische waarden en verwachtingen binnen de gemeente inzichtelijk gemaakt moeten worden. Verder stelt de Wamz 2007 dat gemeenten archeologieparagrafen moeten opnemen in bestemmingsplannen. Het doel hiervan is om het 'bodemarchief' zoveel mogelijk te beschermen. De archeologische resten in de bodem vormen een belangrijke bron van informatie over het verleden. In het bijzonder voor die perioden of aspecten van het verleden waarvan geen of weinig schriftelijke bronnen bewaard zijn gebleven of waarover niet of nauwelijks is geschreven.

Beleid gemeente

Het cultureel erfgoed van de gemeente Valkenswaard is opgenomen in de Erfgoedkaarten van de Kempen- en A2 gemeenten. Op de archeologische beleidskaart zijn de archeologische waarden en verwachtingen opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPdommelseweg141a-ON01_0012.png"

Uitsnede van de Erfgoedkaart - archeologische beleidskaart. Binnen de groene contour is het plangebied

gelegen. Bron: atlas.odzob.nl/erfgoed, 2016.

Beoordeling

Het plangebied is op de gemeentelijke Erfgoedkaart – archeologische beleidskaart aangeduid als categorie 5 (gebied met een middelhoge archeologische verwachting). In deze gebieden geldt op basis van geomorfologische en bodemkundige opbouw en aangetroffen archeologische vondsten en relicten een middelhoge archeologische verwachting. Deze zones en gebieden waren in principe geschikt voor bewoning. Een archeologisch onderzoek is vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten die groter zijn dan 2.500 m2 en dieper gaan dan 0,3 meter onder maaiveld.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPdommelseweg141a-ON01_0013.png"

Uitsnede van de Erfgoedkaart - archeologische beleidskaart. Het plangebied is aangeduid als

verstoord. Bron: atlas.odzob.nl/erfgoed, 2016.

Het plangebied is op de Erfgoedkaart - archeologische beleidskaart op basis van onderzoek aangeduid als verstoord. Het plangebied heeft eerder onderdeel uitgemaakt van een woningbouwontwikkeling ten zuiden van het plangebied, waarvoor destijds een verkennend archeologisch onderzoek is uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 2 van deze toelichting. Voor onderhavig plan is dit onderzoek nog steeds toepasbaar daar er geen grondroerende veranderingen hebben plaatsgevonden. Uit het onderzoek kan geconcludeerd worden dat de bodem verstoord is, waardoor nader onderzoek niet noodzakelijk is.

Conclusie

Het aspect archeologie is geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

4.4.2 Cultuurhistorie

Toetsingskader

Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Als gevolg van de MoMo wijzigt de Bro (artikel 3.1.6, lid 5). Wat eerst voor alleen archeologie gold, geldt nu ook voor al het cultureel erfgoed. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschemde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

Beleid provincie

In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, ruimtelijke plannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPdommelseweg141a-ON01_0014.png"

Uitsnede van de CHW van de provincie Noord-Brabant. Binnen de blauwe contour is het plangebied gelegen.

Bron: brabant.nl, 2016.

Beleid gemeente

Het cultureel erfgoed van de gemeente Valkenswaard is opgenomen in de Erfgoedkaarten van de Kempen- en A2 gemeenten. Op de cultuurhistorische beleidskaart zijn de cultuurhistorische waarden van de diverse gemeenten die onderdeel uitmaken van de Kempen- en A2 gemeenten opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPdommelseweg141a-ON01_0015.png"

Uitsnede van de Cultuurhistorische beleidskaart. Het plangebied is gelegen binnen de blauwe

contour.  Bron: atlas.odzob.nl/erfgoed, 2016.

Beoordeling

Op de CHW zijn in het plangebied geen aanduidingen gelegen die van invloed kunnen zijn op het planvoornemen. De Dommelseweg is op de CHW aangeduid als 'historische geografie' van redelijk hoge waarde. Dit zijn nog goed herkenbare en relatief gave lijnvormige elementen van het historisch landschap, zoals wegen, paden, dijken, dammen, kanalen en sloten. Ze staan representatief voor de diverse soorten lijnvormige landschapselementen in Noord-Brabant. De provincie heeft geen specifiek beleid voor historische lijnen. De provincie wil deze lijnen, net als de overige cultuurhistorische waarden, behouden, verder ontwikkelen en toeristisch-recreatief ontsluiten. Voorliggend plan voorziet geen wijzigingen aan de cultuurhistorische waarde van de aangeduide historische geografie.

Op de Cultuurhistorische beleidskaart is de Dommelseweg aangeduid als een object of gebied met een (zeer) hoge cultuurhistorische waarde. De kaart geeft de oorspronkelijke ligging en vertakking van de Dommelseweg weg weer, die vroeger dwars door het plangebied heen heeft gelopen. De weg is echter verlegd en verwijderd uit het plangebied, waardoor de cultuurhistorische waarden ter plaatse van het plangebied niet meer aanwezig zijn. De bebouwing gesitueerd ten oosten van het plangebied, aan de Dommelseweg 141, is aangeduid als een beschermd cultuurhistorisch monument. Het pand is een gemeentelijk monument dat dateert uit circa 1900. De omschrijving behorend bij het pand beschrijft een wolfsdak met een aanbouw onder zadeldak en diverse metselwerkversieringen. Het planvoornemen betreft enkel de bouw van één woning in het plangebied en heeft geen invloed op het gemeentelijk monument ten oosten van het plangebied. De nieuwe woning wordt in samenhang met de naastgelegen woningen gesitueerd, waardoor de nieuwe woning op zorgvuldige wijze wordt ingepast in het bebouwingslint. Op deze manier doet het geen afbreuk aan de reeds bestaande bebouwing, waaronder het gemeentelijk monument.

Conclusie

Het aspect cultuurhistorie is geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

 

Hoofdstuk 5 Planbeschrijving

5.1 Stedenbouwkundige inpassing

Algemeen

Het planvoornemen bestaat uit de realisatie van één vrijstaande woning in het plangebied. Hiervoor wordt het kadastrale perceel E 3187 gebruikt. Het perceel heeft een oppervlakte van 617 m2, met een diepte van circa 40 meter en een breedte van circa 15 meter. Voor de situering, vormgeving en beeldkwaliteit van de nieuwe woning geldt als uitgangspunt dat de karakteristiek van de Dommelseweg behouden blijft en versterkt wordt. Het bebouwingslint heeft een landelijke uitstraling met veelal vrijstaande woningen in traditioneel vormgegeven bouwstijl.


Situering

Om de woning op een zorgvuldige wijze in te passen in het bebouwingslint is het van belang dat de nieuwe woning in samenhang met de aanwezige bebouwing wordt gesitueerd. Door de voorgevel van de woning op 8 tot 10 meter van de voorste erfgrens te situeren is sprake van een vloeiende rooilijn aan de zuidzijde van de Dommelseweg. De bijgebouwen worden minimaal 1 meter achter de voorgevel van de hoofdgebouwen gesitueerd.


Vormgeving

In overeenstemming met het bebouwingsbeeld aan de Dommelseweg wordt de woning opgebouwd in één tot twee bouwlagen met kap. De maximale goothoogte bedraagt 7 meter en de maximale bouwhoogte 10 meter. De bijgebouwen zijn in vormgeving ondergeschikt aan het hoofdgebouw.


Beeldkwaliteit

Wat betreft de uitstraling van de woning geldt dat aangesloten wordt op de karakteristiek van het bebouwingslint.

5.2 Parkeren

Ten behoeve van de nieuwe woning worden op eigen terrein twee parkeerplaatsen gerealiseerd. Voor deze opstelruimte is voldoende ruimte beschikbaar. Met de realisatie van twee parkeerplaatsen wordt voldaan aan de parkeernormering zoals vastgelegd in de gemeentelijke beleidsnota, waaraan is getoetst in paragraaf 3.4.3 van deze toelichting.

Hoofdstuk 6 Uitvoeringsaspecten

6.1 Handhaving

Toezicht en handhaving van een bestemmingsplan houden in de eerste plaats in, dat van overheidswege wordt gekeken op de naleving van de regelgeving. De gemeente inventariseert de uitkomsten van een dergelijk onderzoek en vormt zich een oordeel. Tenslotte beslist zij of er interventies in de vorm van maatregelen en acties nodig zijn. De praktische uitwerking is nader in dit hoofdstuk beschreven. Als een nieuw bestemmingsplan wordt opgesteld en op termijn een ander ruimtelijk rechtsregime gaat gelden, dient de gemeente op een bepaald ijkmoment inzicht te hebben, wat er feitelijk aan bouwwerken in een gebied aanwezig is, hoe deze en de onbebouwde omgeving worden gebruikt. De rechtssituatie gaat specifiek een rol spelen als in het kader van toezicht en handhaving teruggegrepen moet worden op het overgangsrecht, zoals dat in het geldend bestemmingsplan is beschreven. Op grond van het overgangsrecht is met objectieve feiten vast te stellen hoe de rechtssituatie is en of er bouw- en of gebruiksregels zijn overtreden. Het geheel geeft duidelijkheid aan burgers en overheid en weer. Het systeem biedt de gemeente de mogelijkheid, als het opleggen van een dwangsom geen zin heeft gehad, op te treden via de weg van bestuursdwang. Eventueel kan door inschakeling van justitie een procedure in gang worden gezet die gericht is op vervolging wegens het begaan van een strafbaar feit. Het betreft hier de activiteiten die in de planregels worden ingeleid met de zinsnede "het is verboden ………"

6.2 Economische uitvoerbaarheid

Toetsingskader

De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan, een wijziging van een bestemmingsplan, een projectbesluit of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening:

  • de bouw van een of meer woningen;
  • de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen;
  • de uitbreiding van een hoofdgebouw met ten minste 1.000 m2 of met een of meer woningen;
  • de verbouwing van een of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik in ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd;
  • de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies tenminste 1.000 m2 bedraagt;
  • de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m2.


Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is én er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd én geen locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) hoeven te worden vastgesteld.


Door als gemeente alle gronden en opstallen in eigendom te hebben, zelf de grondexploitatie te voeren en de bouwgrond uiteindelijk bouwrijp tegen een marktconforme prijs te leveren wordt ook voldaan aan de eis van verplichte kostenverhaal. De kosten van grondexploitatie worden in dat geval verhaald via de gronduitgifteprijs.


Beoordeling en conclusie

De grond behorend tot het plangebied is niet in eigendom bij de gemeente Valkenswaard. Voor de ontwikkeling wordt geen exploitatieplan vastgesteld, omdat het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd. Voor de ontwikkeling is een exploitatieovereenkomst gesloten tussen de gemeente Valkenswaard en initiatiefnemer. Hierin is geregeld dat de ontwikkeling geen financiële gevolgen heeft voor de gemeente Valkenswaard. De kosten van het plan, gericht op de realisatie van een woning, komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer.


Hoofdstuk 7 Juridische regeling

7.1 Algemene opzet

Dit hoofdstuk bespreekt de wijze waarop het ruimtelijk en functioneel beleid voor het plangebied in het bestemmingsplan is vertaald. Bij het opstellen van de juridische regeling heeft het uitgangspunt centraal gestaan dat er een regeling geboden wordt die de ontwikkeling van het plangebied mogelijk maakt.

7.2 Opbouw van het bestemmingsplan

Het bestemmingsplan bestaat uit (bestemmings)planregels en een verbeelding, vergezeld van een toelichting. De planregels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De planregels zijn zodanig opgesteld dat wordt aangesloten bij de in de gemeente Valkenswaard gehanteerde systematiek.


De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding omvat de gronden die voor de ontwikkeling van het plan van belang zijn. De keuze van de bestemmingen en de situering van de bestemmingsvlakken is gebaseerd op de huidige ruimtelijke situatie en de gewenste functies. Voorts sluit de opzet van de verbeelding aan op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012).


De regels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden.


De regels bestaan uit vier hoofdstukken, te weten:

  • inleidende regels;
  • bestemmingsregels;
  • algemene regels;
  • overgangs- en slotregels.


In de toelichting wordt gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Ondanks het feit dat de toelichting geen onderdeel uitmaakt van het juridisch plangedeelte, fungeert de toelichting wel als interpretatiekader voor de uitleg van de regels, indien hierover interpretatieverschillen blijken te bestaan.

7.3 Bestemmingsplanregels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Begrippen

In het eerste artikel 'begrippen' worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsbepalingen zijn opgenomen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Voor sommige bedrijven worden in de SVBP en Bor omschrijvingen gegeven. Deze zijn overgenomen.

Bouwperceel

In feite is het bouwperceel het stuk grond, dat bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning moet worden aangemerkt als behorende bij de aangevraagde bebouwing. Het begrip 'bouwperceel' kan nodig zijn om het toelaatbare bebouwingsareaal rechtvaardig per vestiging, per bedrijf, per beheerseenheid of per wooneenheid etc. te verdelen. Een op de verbeelding aangegeven vlak met eenzelfde bestemming kan in bepaalde gevallen meerdere bouwpercelen omvatten.

Voorgevelrooilijn

De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), die op 1 oktober 2010 in werking is getreden, regelt een groot aantal omgevingsvergunningsvrije bouwwerken. Om te bepalen of een bepaald bouwwerk vergunningsvrij is, wordt in een aantal gevallen gebruik gemaakt van het begrip voorgevelrooilijn. De wet voorziet echter niet in een begripsbepaling, maar verwijst hierbij onder andere naar het bestemmingsplan. Daarom is het begrip voorgevelrooilijn opgenomen in onderhavig bestemmingsplan.

Het bestemmingsplan maakt gebruik van bouwvlakken, waarbinnen de hoofdbebouwing met bijbehorende bouwwerken gerealiseerd mag worden. De voorgevelrooilijn wordt gevormd door de grens van het bouwvlak die is gericht naar het openbaar gebied (bijvoorbeeld een weg of groenvoorziening) en het verlengde van die grens.

Wijze van meten

Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen, wordt in de 'wijze van meten' uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Ook voor de 'wijze van meten' worden in de SVBP richtlijnen gegeven die zijn overgenomen in dit plan.

Goothoogte en bouwhoogte van een bouwwerk

Het reguleren van bouwvolumes kan op verschillende manieren plaatsvinden. In het verleden werd hierbij in Valkenswaard het begrip goothoogte als belangrijkste factor gehanteerd. In de nieuwe bestemmingsplansystematiek wordt naast de goothoogte ook een maximale bouwhoogte opgenomen. Met name het begrip goothoogte behoeft enige toelichting. De onderliggende gedachte bij het begrip goothoogte is een stapeling van bouwmassa's in een hoofdvolume (basismassa) met daarop mogelijk een secundair volume in de vorm van een kapconstructie of daarmee vergelijkbare dakafdekking. Vaak is het onderscheid tussen beide bouwmassa's niet voor de volle honderd procent eenduidig.

Met de goothoogte wordt beoogd de maximale hoogte van de basismassa te reguleren. De te toetsen hoogte moet dan ook plaatsvinden aan de hand van de goothoogte die representatief kan worden geacht voor de basismassa. Ter illustratie zijn in onderstaande afbeelding enkele voorbeelden geschetst.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPdommelseweg141a-ON01_0016.png"

Goot- en bouwhoogte van een bouwwerk

Bij bijbehorende bouwwerken geldt in principe dezelfde filosofie. Verder wordt daarbij aanvullend een maximale dakhelling voorgeschreven om het éénlaagse karakter te benadrukken, mede om de belendende (woon-)percelen een bescherming in hun woon- en/of gebruiksgenot te bieden. Uitgangspunt is te voorkomen, dat belendingen worden geconfronteerd met relatief lange wanden die hoger zijn dan drie meter. Beperkte topgevels zijn acceptabel. De dakhelling heeft bovendien de functie van regulerende factor in de zon-/lichtbelemmering. In onderstaande afbeelding zijn enkele illustraties van deze situaties gegeven. Daarbij zijn ook bouwwerken geschetst, waarvan de ontwikkeling niet moet plaatsvinden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPdommelseweg141a-ON01_0017.png"

Goot- en bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken

Hoofsdtuk 2 Bestemmingregels

Dit hoofdstuk omvat de op de afzonderlijke bestemming gerichte regels. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden.

Tuin

De bestemming 'Tuin' is bedoeld voor voor- en zijtuinen alsmede voor in- en uitritten voor de woning. Binnen deze bestemming zijn uitsluitend bouwwerken toegestaan ten behoeve van de aanleg en instandhouding van de gronden als tuin. De grens tussen de bestemming 'Tuin' en de aangrenzende bestemming wordt conform een vaste standaard getekend. Deze standaard is vastgelegd in het 'Handboek digitale bestemmingsplannen Gemeente Valkenswaard'. Vergunningsvrij bouwen is echter op 1 meter achter de voorgevel toegestaan. De bestemming 'Tuin' is daarom op zijpercelen getekend tot op 1 meter achter de voorzijde van het bouwvlak van de aangrenzende bestemming.

Binnen deze bestemming bedraagt de bouwhoogte van een erfafscheiding maximaal 1 meter. Indien de bestemming 'Tuin' op een zijperceel verder doorloopt dan bovenstaande 1,5 meter én deze zijtuin niet grenst aan de openbare weg, dan geldt voor een erfafscheiding een maximale bouwhoogte van 2 meter. Grenst de als 'Tuin' bestemde zijtuin aan de openbare weg, dan kan een hoge erfafscheiding verkeersonveilige situaties opleveren. Een dergelijke erfafscheiding mag daarom maximaal 1 meter hoog zijn. In afwijking hiervan is een erfafscheiding van maximaal 2 meter hoog toegestaan, onder voorwaarden in het kader van verkeersveiligheid en stedenbouw.

De bestemming voorziet in een regeling voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken aan de voorgevel van het hoofdgebouw (erkers). De diepte van het bijbehorende bouwwerken vóór de voorgevel van het hoofdgebouw bedraagt maximaal 1,5 meter.

Daarnaast kan in afwijking van het bestemmingsplan naast het pand ook een zijaanbouw worden toegestaan tot 1 meter naast de rooilijn van de zijgevel. In de afwijkingsregels zijn voorwaarden opgenomen die rekening houden met de situering van het belendende perceel 'om de hoek' (dus achter het hoekperceel) en/of aan de overkant van de zijstraat (dus in het verlengde van het hoekperceel). In het eerste geval wordt de afwijkingsregeling bepaald door de voorgevelrooilijn van het belendende pand om de hoek. Aan de overzijde kan het veel uitmaken of daar voorgevels zijn, zijgevels of een groen- of parkeerstrook, waardoor het bevoegd gezag wel of niet overgaat tot verlening van de omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan.

Wonen

Deze bestemming geldt voor de woning in het plangebied met bijbehorende zij- en achtertuin.

Hoofdgebouw

De hoofdbebouwing is vastgelegd in een bouwvlak. Zo wordt de maatvoering, situering en de vorm van de het hoofdgebouw vastgelegd. Ook het maximum aantal woningen dat binnen het bouwvlak is toegestaan wordt op de verbeelding aangegeven. Uitbreiding van hoofdgebouwen over twee bouwlagen mag uitsluitend plaatsvinden binnen de bouwvlakken.

Bijbehorende bouwwerken

Bijbehorende bouwwerken, zwembaden, erfafscheidingen en andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak van het hoofdgebouw gerealiseerd worden. De hoeveelheid te realiseren bijbehorende bouwwerken gelegen buiten het bouwvlak is in de regels opgenomen. Tevens is in de bouwregels voor bijbehorende bouwwerken een maximale goothoogte van 3,5 meter en een maximale dakhelling van 45 graden opgenomen.

Gezien de maximaal mogelijke oppervlakte van 150 m², is het in theorie mogelijk om een bijbehorende bouwwerk te realiseren met een zeer hoge nok. Om excessen in bouwhoogte te voorkomen, is deze gemaximaliseerd op 5,5 meter. Hiermee wordt tevens voorkomen dat boven de goothoogte van 3,5 meter nog een volwaardige bouwlaag gerealiseerd kan worden.

Begrenzing Woon- en Tuinbestemming

De algemene wijze van bestemmen gaat uit van het principe dat de voortuinen en gedeelten van zijtuinen de bestemming 'Tuin' krijgen en de resterende gronden de bestemming 'Wonen'. De tuinbestemming is in beginsel tot op een afstand van 1 meter achter de voorzijde van het bouwvlak van de woonbestemming gelegd.

Goothoogte en bouwhoogte

De maximale goot-en bouwhoogte van het hoofdgebouw wordt in het bouwvlak aangegeven met behulp van een maatvoeringsaanduiding. De goot-en bouwhoogte geldt voor het (deel van het) bouwvlak, waaraan het op de verbeelding gekoppeld is. Boven de maximaal toegestane goothoogte is op grond van de bouwregels nog maximaal één bouwlaag toegestaan, waarmee voorkomen wordt dat in de kap twee of meer woonlagen gerealiseerd kunnen worden. De maximale goot-en bouwhoogte voor bijbehorende bouwwerken is opgenomen in de regels.

Aan-huis-verbonden beroepen

Binnen de bestemming 'Wonen' zijn aan-huis-verbonden beroepen rechtstreeks toegestaan tot een oppervlakte van 35 m², mits voldaan wordt aan de eisen zoals opgenomen in de specifieke gebruiksregels van de bestemming 'Wonen'. Het bevoegd gezag kan in afwijking hiervan een omgevingsvergunning verlenen tot een oppervlakte van maximaal 75 m². Belangrijke voorwaarden daarbij zijn onder andere dat er geen ernstige of onevenredige hinder van het woonmilieu mag optreden en dat de afwikkeling van het verkeer niet nadelig wordt beïnvloed. Ook de parkeerdruk mag niet onaanvaardbaar toenemen door het aan-huis-verbonden beroep. Het gebruiken van bijgebouwen als zelfstandige woning of onafhankelijke woonruimte is in beginsel niet toegestaan.

Hoofdstuk 3. Algemene regels

In dit hoofdstuk zijn de aanvullende, algemene regels opgenomen.

Anti-dubbeltelregel

Dit artikel bevat de bepaling om te voorkomen dat met het bestemmingsplan strijdige situaties ontstaan of worden vergroot. Het artikel is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening en is daaruit overgenomen.

Algemene bouwregels

In dit artikel is een aantal aanvullende bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen kunnen gelden. Zo is bijvoorbeeld geregeld dat bestaande, afwijkende maten, die in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet of latere wetgeving tot stand zijn gekomen, als maximaal toelaatbaar worden geacht. Hiermee wordt voorkomen dat afwijkende doch legaal tot stand gekomen situaties in strijd zijn met het nieuwe bestemmingsplan.

Algemene afwijkingsregels

In dit artikel is in aanvulling op de afwijkingsregels uit de bestemmingen nog een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Het bevoegd gezag kan hierbij tevens nadere eisen stellen. De belangen van waaruit die eisen worden gesteld, zijn ook nader opgesomd in dit artikel.

Op deze algemene afwijkingsregels kan een beroep gedaan worden, waar het gaat om bijvoorbeeld bepaalde overschrijdingen met 10%, voor het oprichten van bouwwerken ter wering van geluidhinder, voor gebouwtjes ten dienste van het verkeer of openbaar nut, voor antennes en zendmasten en voor bepaalde bouwwerken op of direct nabij de openbare weg.

Algemene wijzigingsregels

Op deze algemene wijzigingsregels kan een beroep gedaan worden, waar het gaat om bijvoorbeeld bepaalde overschrijdingen met 10%, voor de in het plan aangegeven bestemmingsplangrens, van het beloop of het profiel van een weg, alsmede van de vorm van bouwvlakken voor zover zulks bij de definitieve uitmeting, bij de verkaveling of bij de nadere detaillering noodzakelijk en/of wenselijk is.

Algemene procedureregels

In dit artikel zijn de procedures opgenomen die gevolgd moeten worden bij het stellen van nadere eisen en bij een wijziging.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Dit hoofdstuk omvat twee artikelen:

Overgangsrecht

De tekst uit dit artikel is wettelijk vastgelegd en overeenkomstig opgenomen. Het betreft een regeling voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het inwerking treden van het bestemmingsplan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd.

Slotregel

In de slotregel wordt aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.


Hoofdstuk 8 Overleg en inspraak

8.1 Overleg

Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleg met de besturen van bij het plan betrokken waterschappen plegen. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartigig van belangen die in het plan in het geding zijn. In bijlage 3 van deze toelichting zijn de binnengekomen vooroverlegreacties opgenomen.

Het voorontwerpbestemmingsplan is voorgelegd aan de overlegpartners ex artikel 1.1 Bro. Op het bestemmingsplan is een reactie binnegekomen van de provincie Noord-Brabant en waterschap De Dommel. De vooroverlegreactie van de provincie Noord-Brabant betreft het standaardformulier aangezien het plangebied binnen het bestaand stedelijk gebied is gelegen. De vooroverlegreactie van het waterschap is verwerkt in de toelichting bij de toets aan het aspect water in paragraaf 4.3.1.

8.2 Inspraak

P.M.